is toegevoegd aan uw favorieten.

Bijdrage tot de kennis van den duur der vochtverversching in de voorste oogkamer bij het konijn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als het voorste oogkamervocht méér dan 10 keer verdund was maakte het verlies van één druppel zoo'n gering verschil uit tusschen de hoeveelheid nog aanwezige hnmor aqueus der voorlaatste en laatste bepaling, dat men veilig nogmaals eenige keeren kon verdunnen. Slechts wanneer ik voor één bepaling meerdere druppels gebruikte, werd het gewicht van den nog aanwezigen humor aqueus voor de opvolgende verdunning weer berekend.

Hoe berekent men nu uit de gevonden verdunning, noodig om de grenswaarde voor de Li-streep te bereiken, het gehalte. Stellen we b.v. dat ik, om deze grens te bereiken, in één mijner bepalingen den humor aqueus 12 maal moest verdunnen, dat wil dus zeggen met II van zijn eigen volumina gedestilleerd water moest vermengen. Wanneer we de grafische voorstelling (plaat II) beschouwen, blijkt, dat in een 12 X verdunde 0,75 % CINa-solutie de grenswaarde voor het herkennen van het chloorlithium-gehalte ligt bij u0 • I" het 12 X verdunde

oogkamervocht (humor aqueus bevat 0,7 5 % NaCl) is dus het gehalte 1 : 1.100.000. In het onverdunde oogkamervocht was dus 12 X zooveel chloorlithium d. w. z. een gehalte van J . uwwo _ j : 91.666. Op deze wijze werd dus het chloorlithiumgehalte gevonden. Uit het gehalte is nu ook gemakkelijk het percentage te berekenen.

Van 18 paar oogen bepaalde ik verschillende tijden na de uitwassching van den conjunctivaal-zak het chloorlithium-gehalte, met vermijding der mij bekende en reeds beschreven bronnen van fouten. Ze volgen hier, telkens weer de waarnemingen op één paar oogen bij elkaar gevoegd :

Tijd verloopen tusschen Konijn. Gehalte = Percentage. afwassching

en punctie.

I. 1: 14.000= 0,007143% 65 min. i : 29.000 = 0,003448 „ 90 „

II. I : 3000 = 0,03333 „ 1 „ 1 : 53.000 = 0,001886 „ 75 »