is toegevoegd aan uw favorieten.

Plankton van Noordzee en Zuiderzee

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vegetatie ten slotte volkomen gaat ontbreken. Door het afsterven en vergaan van zoo talrijke plant- en diervormen staat het water, sterker dan elders, aan verontreiniging bloot en worden er in ieder geval stoffen aan toegevoegd, die in diepere zeeën niet of althans in veel sterker verdunde oplossing gevonden worden.

Op het voorkomen van bodemvormen, die niet in grootere diepten vermogen te leven, of van nieroplanktonische soorten is natuurlijk de bodeuidiepte op zichzelf van overwegenden invloed.

Dat ondanks den schijnbaar geleidelijken overgang tusschen het Kanaal en de Noordzee aanmerkelijke verschillen in den aard van het water moeten bestaan, daarop wijst nog een andere omstandigheid. Zoodra de uitwendige levensomstandigheden, die voor een bepaalde soort in een zeker gebied voorhanden moeten zijn om haar het bestaan aldaar te verzekeren, in een ander gebied ontbreken, zal ook die soort daar niet kunnen voorkomen, terwijl dat wel het geval zal kunnen zijn met nauw verwante vormen, die een grooter aanpassingsvermogen bezitten. Het verschijnsel nu, dat sommige Kanaalvormen in het plankton van de zuidwestelijke Noordzee verdwenen zijn, terwijl verwante vormen in hun plaats gevonden worden, treedt zeer duidelijk op in het onderzochte gebied. Terwijl nu de verdwijnende vormen tot het oceanische planktontype behooren, moeten de planktonorganismen, die ze in de zuidwestelijke Noordzee vervangen, tot de neritische organismen gerekend worden.

Van den overgang van het oceanische in het neritische planktontype, die in de nabijheid van alle (ondiepe) kusten optreedt, is langs de kusten van Europa nergens, geloof ik, een zoo leerrijk voorbeeld te vinden als hier geboden wordt, terwijl het bovendien aanleiding geeft de vraag te bespreken, wat men onder de begrippen neritisch en oceanisch eigenlijk verstaan moet en of deze werkelijk volkomen gelijkwaardig zijn met de begrippen meroplanktonisch en holoplanktonisch, zooals Gkan (1902) aanneemt.

Steunende op de waarneming, dat sommige planktonorganismen hoofdzakelijk of uitsluitend nabij de kust, andere in de open zee voorkwamen, verdeelde Haeckel (1890) de planktouorgauisineu in