is toegevoegd aan uw favorieten.

De mengkrystallen bij natrium-sulfaat, -molybdaat en -wolframaat

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij 557° en het meest voor de hand liggend is de onderstelling, dat in de 7-mengkrystallen een gedeelte labiel is, zoodat daardoor nieuwe coexistentievlakken en kritische verschijnselen optreden. Strekte dit labiele gebied zich uit tot den overgang *-7, dan zouden de kritische verschijnselen wegvallen en deze overgang v.-y zou een discontinuïteit moeten vertoonen, welke echter zeer gering kan zijn. Een dergelijke intreding is ook in verband met de in de volgende doorsneden nog duidelijker gegevens, niet waarschijnlijk. Optisch was het optreden van een nieuwe krystalsoort in het gebied, dat als dat der r-krystallen aangegeven wordt, nergens waar te nemen, wat voor weinig in concentratie afwijkende isomorphe grenskrystallen niet te verwonderen is. Het verschijnen van een niet isomorphe krystalsoort was overigens steeds onder den microscoop duidelijk te zien.

vaste phasen in het midden liggen (fig. 20). (1 en 2 kunnen continu aan elkander aansluiten — isomorphie — of tot twee afzonderlijke ^-curven behooren — isodimorphie —). Beschouwt men de ^-lijnen bij tu, tu — dt en tu + dt, dan zullen bij een temperatuur boven tu de 3 t-lijnen

£ L.

dalen daar s-5 = — •/, — en de dubbelraaklijn aan L en 2 de

O tpx

coexisteerende phasen leveren; bij tu — dt daarentegen de lijnen stijgen en de dubbelraaklijn aan L en 1 geheel beneden 2 liggen en dus in haar raakpunten de coexisteerende phasen leveren. Het gezochte bewijs - dat fq in fig. 19 sterker stijgt dan pf, in de onmiddellijke nabijheid van f — komt hierop neer, dat bij + d^ (dus — dt) de dubbelraaklijn aan de meer nabij gelegen £-curve 1, bij — d, aan de verstgelegen curve 2 te trekken is, derhalve cet.par. de afwijking van de driedubbelraaklijn in het eerste geval grooter dan in het tweede. Deze afwijking is de boog, over welken het raakpunt op L verschoven wordt, waaraan de concentratie-verandering van de coexisteerende vloeistof bij gelijke differentieele temperatuursveranderingen boven en beneden tu , evenredig is. Hierin volgt, dat de helling van de stollijn beneden tu kleiner is dan boven tu.

Het bewijs, waarvan hier de inhoud gegeven is, verlangt eenige

nadere uiteenzetting.