is toegevoegd aan uw favorieten.

De bifilairmagnetische methode ter bepaling van de horizontaal-intensiteit der aardmagneetkracht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tt; (bij magnetometer I) - „2rX ^ X -0b_65 00003 J B ' 3(30 x 60 x 60 x 2800 uuiauo

O ( jr, '/a X 1-45 X 206265_

360 x 60 x 60 x 2800 ~~ °-00004 Nadat nu de torsiecoëfficient bepaald was, werd nogmaals op de gewone wijze de instrumentaalinvloed bepaald. We draaiden wederom den magnetometer om de naald heen, doch daar de cocondraad nu niet losgemaakt was van den schroef in den torsiekop, werd deze draad dus getordeerd en zou dus, alleen dientengevolge, reeds een meedraaien van den spiegel met den magnetometer mee opleveren. Van eiken magnetometer werd dit meedraaien gemeten, zoowel als de spiegel en naald voor, midden of achter in het huisje hing.

De volgende tabellen kunnen dienen als voorbeeld van deze metingen. In de eerste kolom wordt de stand van den magnetometer opgegeven (-f- 5° beteekent een draaiing over 5° uit de evenwichtspositie, van boven gezien met de wijzers van een uurwerk mee). In de tweede en derde kolom staan de aflezingen van den te onderzoeken magnetometer en van den hulpmagnetometer, die als declinatievariometer dient. Uit de cijfers in deze twee kolommen worden die in de vierde afgeleid. Dit zijn de op constant gebleven declinatie gereduceerde aflezingen. De laatste kolom geeft het aflees verschil, dat 't gevolg is van een draaiing van — 5° tot -|- 5°. De aflezingen van de nulstanden doen zien, dat de magnetometer en de declinatievariometer een zelfde verloop hebben. De schaalstand was 280 cM.