is toegevoegd aan uw favorieten.

Over de verandering der refractie gedurende den loop van het leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fouten zijn binnengeslopen. De curve, die den gang der refractie van deze 631 E tot Hm 0,5 voorstelt en die in figuur 2a is afgebeeld beantwoordt dan ook volkomen aan de curve in figuur 1 b en daarmede tevens aan de curve van Donders (figuur la).

De 81 oogen, die op gemiddeld 30-jarigen leeftijd eene ïefractie veitoonden van Hm 0,75 tot 1,25 hadden eene gemiddelde refractie:

op < 40-jarigen leeftijd: Hm 0,97

op 45-jarigen leeftijd: Hm 0,75

op 50-jarigen leeftijd: Hm 0,86

op 55-jarigen leeftijd: Hm 1,05

In curve vinden wij dit voorgesteld fn figuur 2 b. Hier zien wij dus ook weer evenals bij de hypermetropen van 0,75 tot 1,25 D. der vorige groep eerst een afnemen der hypermetropie vanaf de jeugd tot het 45s,e jaar en vervolgens eene lichte toename. Hoe de aanvankelijke afname verklaard kan worden is reeds op bldz. 51 besproken, welke zelfde overwegingen ook hier mogen gelden. De op deze vermindering volgende toename der hypermetropie stemt in grootte eveneens overeen met de gelijknamige refractieverandering bij de vorige groep (zie bldz. 51).

De 10 hypermetropen van 1,5 tot 3 D. vertoonden eene gemiddelde refractie:

op < 40-jarigen leeftijd: Hm 2,32

op 45-jarigen leeftijd: Hm 2,92

op 50-jarigen leeftijd: Hm 3,35

op 55-jarigen leeftijd: Hm 3,77

Figuur 2 c stelt liet verloop der refractie dezer hypermetropen graphisch voor. Ook hier vinden wij dus weer eene belangrijke toename van den graad der hypermetropie en wel in hoofdzaak voor het 50ste jaar.