is toegevoegd aan uw favorieten.

Over de verandering der refractie gedurende den loop van het leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De 7 hypermetropen ten bedrage van meer dan 3 dioptriën hadden eene gemiddelde refractie:

op < 40-jarigen leeftijd: Hm 3,86

op 45-jarigen leeftijd: Hm, 4,14

op 55-jarigen leeftijd: Hm 4,36

op 55-jarigen leeftijd: Hm 4,5

In curve is dit weergegeven in figuur 2 cl. Hier zien wij wederom eene vrij sterke toename der hypermetropie, eveneens in hoofdzaak voor het 50ste jaar zich afspelende. Deze toename is evenwel bij de hypermetropen van meer dan 3 D. kleiner dan bij oververziendheid van 1,5 tot 3 D., zoowel absoluut als relatief. Bij de eerstgenoemden toch bedraagt zij 0,64 dioptrie, d.i. 1/6 van de aanvankelijke hypermetropie, bij de laatstgenoemden daarentegen 1,45 dioptrie, d.i. bijna 2/3 der oorspronkelijke refractie. Vooruitloopende op aan het einde van dit hoofdstuk te bespreken, door mij verrichte onderzoekingen (zie bldz. 79) mag hier reeds vermeld worden, dat dit hierin eene verklaring kan vinden, dat bij de sterkere graden van hypermetropie in de jongelingsjaren een kleiner gedeelte latent is dan bij de lichtere graden. De oorzaak daarvan ligt ongetwijfeld hierin, dat bij hypermetropie van 1,5 tot 3 dioptriën het werk nog goed kan geschieden en deze personen daartoe voortdurend hun accomadatievermogen inspannen. Hierdoor ontstaat een kramp, waarvan een gedeelte niet meer te ontspannen is. Bedraagt de hypermetropie echter meer dan 3 dioptriën, dan is het scherp zien in de nabijheid zonder bril toch uitgesloten, er zal daartoe geen moeite worden aangewend en de accomodatie zal veel lichter en voor een veel grooter gedeelte te ontspannen zijn.

De 16 M 0,25 — 1 D. hadden eene gemiddelde refractie: