Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bemerkt men zeer weinig. Het liefst beweegt de criticus zich in de 18de en 19de eeuw; onder den invloed van Brandes' Hauptströmungen zet hij zijn Oude Romans der 18de eeuw op touw; de letterkunde der 16de en 17de eeuw is slechts door enkele grooten vertegenwoordigd: Rabelais, Milton, Shakespeare, Hooft; de middeleeuwen blijven - met uitzondering van Dante - buiten zijn gezichtseinder.

Dikwijls vergenoegt Huet zich met de rol van „een getrouw verslaggever", zooals hij zich kenschetst in een stukje over Dumas pils, al voegt hij er ook niet zelden een en ander van zich zeiven aan toe. Verscheen er een nieuw boek over de uitvinding der drukkunst, een vertaling van een blijspel van Goldsmith, een nieuw boek over Dickens, over Byron en Shelley, werden nieuwe bescheiden 'aangaande Bilderdijk in het licht gegeven, dan wist hij daarvan - handige Fransche kok die hij was — een smakelijk schoteltje toetebereiden, licht verteerbaar, gekruid en gesausd met iets pikants van hem zelf. Vaak echter mikte hij hooger en trachtte het Nederlandsch publiek dichter te brengen tot heroën der literatuur als Homerus, Virgilius, Dante, Shakespeare, Milton. Diestukken en andere van verwanten aard (Hooft, André Chénier, George Sand) zijn alle op nagenoeg dezelfde wijze samengesteld: Huet leest eenige goede werken over den auteur, daarna dien auteur zeiven en verwerkt dan eigen indrukken met hetgeen hij van anderen overneemt. Het stuk over Milton was door hem op touw gezet zoowel tot eigen leering als om anderen bezig te houden en optewekken (Brieven II, 166); vermoedelijk stond het met de overige evenzoo. Daardoor mist men in sommige die bezonkenheid, welke slechts door langdurigen omgang met een schrijver verkregen kan worden; doch anderzijds zien wij Huet ook hier als een handig en

knap auteur die b.v. van Virgilius een kennis toont, zooals kalff, Letterkunde, VII. 40

Sluiten