Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Walen boezemt hem geen belangstelling in (XVIII, 128); in 1880 raadt hij de Nederlanders aan hun taal te laten varen voor het Fransch; geen „boutade", zooals blijkt uit zijn geloof aan den invloed van het Fransch op de welvaart van België (Land van Rub. 216-'18). Zijn sympathie voor den strijd der Afrikaanders tegen de Engelschen in 1881 is matig; zijn uitlatingen over het gesprek tusschen „den boer Joubert" en den „dapperen Engelschen generaal Wood" met zijn borst vol -lintjes toonen duidelijk hoe ver hij was afgedwaald niet alleen van alle idealisme maar ook van het gevoel voor waarheid en eenvoud. Begint zich omstreeks 1882 een vleug van herleving onder ons volk te toonen, trachten Spruyt en Hooijer ons volk optewekken tot belangstelling in volksweerbaarheid en landsverdediging, vinden zij dan eenigen weerklank bij Huet, die zoo lang had getoornd of gesmaald op het gemis aan volkskracht? In het minst niet: hij vraagt, of de Nederlanders niet nog meer behoefte hebben aan zekere hoeveelheid geest of vernuft dan aan dienstplicht. Hij volgde ook hier de taktiek der sociaal-democraten, die elke poging tot verbetering der maatschappelijke toestanden uitgaande van andersdenkenden, kleineeren of negeeren, in de overtuiging dat verzuipen beter is dan pompen. Vandaar dat hij nog in het laatst van zijn leven den opwekkenden invloed, die van den Haagschen journalist Damas (Van Hogendori') zou kunnen uitgaan, trachtte te keeren (XXV): Den Haag liefhebben en daarvoor durven uitkomen, aantoonen dat in het buitenland niet alles goud was wat er blonk - dat viel niet in Hl'ET's smaak; zoo'n kroniekschrijver „port niet, hij vergoelijkt".

Hoe begrijpelijk wordt, in dit licht gezien, het slot van Het Land van Rembrand. Een uitspraak van den Amerikaan Bagehot overnemend, noemt Huet daar den stijl van Rembrand nog altijd den besten historiestijl: veel weglaten, veel

Sluiten