Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over Swinburne, Pascal, Camoëns, Calderon, Shakespeare. In laatstgenoemde stukken toont hij zich niet alleen literair criticus maar ook geschiedschrijver der letterkunde; in den aanvang zijner Bijdragen tot de kennis van Shakespeare blijkt, welk een juist begrip hij had van de taak der literatuurgeschiedenis. Wat hem zoo bij uitstek geschikt maakte voor literatuur-critiek, was in de eerste plaats de buitengewone smijdigheid en plooibaarheid van geest die hem in staat stelde zich te verdiepen in zeer uiteenloopende karakters, levensvormen, denkwijzen en gevoelens. Tegenover al dat menschelijk gebeuren, gevoelen, denken en dichten trachtte hij de koele onpartijdigheid te bewaren van een wetenschappelijk waarnemer der natuur; „alsof er" — schreef hij in zijne studie over Kollewijn's Bilderdijk - „bij den historicus aanneming was des persoons"; en later: „wat is een historicus die boos wordt? Een even onzinnig wezen als een fysicus die zich ergert aan het bestaan van een bepaalde chemische verwantschap." Al vertoont zich in deze uitspraak die lust tot het paradox waarvan wij boven gewaagden — hier werd toch een beschouwing van letterkundige critiek gegeven, die te onzent nieuw was, en nadruk gelegd op een eigenschap die in geen literair criticus geheel mag ontbreken.

Noodiger nog dan plooibaarheid en smijdigheid van geest is voor den letterkundigen criticus iets van dat gevoel, die verbeelding en die scheppingskracht, welke wij bij ieder kunstenaar in meerdere of mindere mate aantreffen. Pierson was daarvan niet misdeeld: wij zagen hem in Intimis en Adriaan de Mcrival den romanvorm kiezen voor uitingen van innerlijk leven; vóór, in en na dien tijd heeft hij verzen geschreven. Die verzen herinneren ons niet zelden aan De Génestet, maar de twijfel spreekt er luider; daarnaast hoort men er de stem van het humanisme dat langzamerhand het geloof zal verdtingen;

Sluiten