Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen ander beeld dan uit zijn vroegere werken; doch zijn talent, nu ten volle gerijpt, draagt rijkelijker vrucht. Een reis naar Londen, met een paar Spectator-vrienden, ondernomen vooral om de beroemde Elgin-marbles te zien, gaf hem aanleiding tot het schrijven van Londinias (1873), een reisverhaal in Homerischen trant en vorm. Op een reis naar Italië, later herhaald, deed hij tal van indrukken op, die verwerkt zijn in de romans Amazone (1880) en Inwijding (1888). Vóór 1878 had hij een aanvang gemaakt met een vertaling der Ilias, die in 1880 voltooid het licht zag; een vertaling der Odyssee werd na zijn dood uitgegeven. In De Nederlandsche Spectator, waar hij na Bakhuizen's dood „primus inter pares" bleef, uitte hij zich vooral als schrijver der periodieke Vlug/naren, die over het dagelijksch gebeuren in geestelijk, letterkundig en staatkundig leven handelden.

Uit stukken als Fanst en Helena, een deel van Geëtste Bladen, Idylle, de Inleiding vóór deel I der Vogels blijkt dezelfde degelijke kennis van Grieksche beschaving en kunst, van Goethe en andere modernen als vroeger; doch de innerlijke strijdigheid van Christendom en Helleensche kuituur is hem nu duidelijker geworden. Als de humanisten vóór hem, tracht hij de kloof te dempen, „den verbrokkelden mensch weder te kompleteeren"; ook voor hem wordt de leus: „in de wetenschap veelzijdigheid, in den vorm schoonheid, in het leven natuurlijke, vrije en harmonische ontwikkeling van den geheelen mensch - van eiken mensch." Ruimer van blik dan Potgieter die de 17de eeuw als toetssteen voor het heden nam, wil Vosmaer ons volk doen streven naar een zelfgeschapen ideaal, is het heden voor hem geen tijd van verval doch schakel in de reeks eener voortgaande ontwikkeling. In Faust en Helena vinden wij een warm pleidooi vóór onzen tijd en tegen de kenschetsing van het heden als

Sluiten