Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan den goedhartigen kruidenier die op Oudejaarsavond met een welgedane wederhelft en kinderen als speenvarkentjes in zijn achterkamer zit bij warmen wijn en kastanjes, die „schudt van lachen en schatert van de pret". Malthusia was bedoeld als satire; indien men bedenkt, dat zelfs een auteur als Zola de bezwaren die een dergelijke stof met zich brengt, niet heeft kunnen overwinnen, dan begrijpt men licht dat een zooveel mindere hier te kort moest schieten. Satire bevat ook De ,,Mijnheers" en hun Polderland-, satire die wel waarheid bevat en ten deele naar den inhoud behartigd mocht worden — doch mist wat alleen aan satire waarde en levenskracht kan geven: letterkundig talent.

Dat letterkundig talent is ook in het overig werk van De Veer uiterst schaarsch. In sommige zijner Kerstvertellingen (1878), in enkele schetsen uit den bundel Toen . ... en Nu (1877) is wel eenige gave van waarnemen en weergeven; doch wie al deze voortbrengsels van „kopiëerlust des dagelijkschen levens" vergelijkt met hetgeen Beets en zijn tijdgenooten reeds veertig jaar geleden hadden geleverd, bespeurt weinig nieuws en nergens iets beters of zelfs gelijkwaardigs. In romans als Frans Holster, Halfbloed (1879), Eene Schoonmoeder (1887) vinden wij dezelfde koude drukte als bij Cremer en Keller, bontheid van gebeurtenissen die slechts een weinig ontwikkelden smaak kan boeien, in slappe, conventioneele taal.

In voortbrengingskracht evenaarde Haverschmidt De Veer op verre na niet; echter houdt Familie en Kennissen het uit tegen het beste van De Veer, indien het dat niet overtreft. Wij vinden hier een aantal herinneringen uit de jeugd en beelden uit het kinderleven, meerendeels in humoristischen trant. Over vele van die verhalen ligt een nevel van zachten weemoed, een waas van heimwee naar een paradijs verloren. Een der beste stukken uit het bundeltje, Mijn Broertje, is wat

Sluiten