Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar Arnhem. Nog rustte zijn pen niet; met een historische schets over den zeeroover Claes Compaen (De Kennemer Avonturier) keerde hij ten slotte terug tot het verleden dier landstreek, dat hij in zijn opgang als Kennemer meistreel met het licht der poëzie had omstraald. Doch nu geschiedde het met de bijbedoeling invloed te oefenen op een heden dat hij miskende; aan «onzen veelbewogen, naar alle zijden opborlenden, en toch innerlijk zoo vagen en brozen tijd" wilde hij »iets goeds leeren: vasten wil te hebben, en waarlijk man te zijn." Kort nadat die schets in De Oids van Aug. 1888 was opgenomen, stierf Hofdijk en werd begraven op het kerkhof te Rozendaal waar ook De Génestet en Ter Haar rustten.

Beter door de Fortuin bedeeld dan de brave Hofdijk en beter financier, behoefde Schimmel niet om den broode te schrijven; kon hij rustig wachten totdat lust of behoefte zich deden gevoelen. In 1871 had hem door den dood zijner vrouw een zware slag getroffen; doch twee jaar later kreeg hij in een zuster der overledene een nieuwe levensgezellin, zijn eenig kind een tweede moeder. In 1878 trok hij zich uit de zaken terug en vestigde zich op Anna's Hoeve te Bussum.

Het tooneel had nog altijd zijn hart en gaf hem veel te doen, zooals wij later zullen zien. In lyrische poëzie stortte hij zich van tijd tot tijd nog wel eens uit; getuige zijn gedicht Aan mijn Vaderland (1872) waarin hij zich keerde tegen de kerkelijke partijen die de herdenking van onzen onafhankelijkheidsstrijd niet wilden medevieren; zijn Thorbecke-Cantate (1876), die van vurige bewondering en diepen eerbied voor den grooten leider der liberalen getuigde. Maar de roman, met name de historische roman, bleef toch het veld waarop hij het liefst werkte. Het sterkst voelde hij zich ook nu getrokken tot de 17de eeuw; doch in zijn twee voornaamste werken vóór

Sluiten