Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wendt zij zich op nieuw tot het heden in Majoor Frans (1874) en Langs een Omweg (1877); dan keert zij in Raymond de Schrijnwerker (1880) en Het Kasteel Westhoven in Zeeland (1882) weer terug tot het verleden, doch slechts om te toonen, hoe ver haar laatste geschriften achterstaan bij haar beste werk uit vroegeren tijd.

De Delftsche Wonderdokter was nog niet geheel afgedrukt, toen zij reeds met plannen tot iets nieuws doende was. „Zij heeft mij beloofd," schreef Potgieter 12 Mei 1871, „nu dit af is, eens een ander genre te beproeven." Potgieter's wensch viel bij haar in goede aarde; immers hij viel samen met haar eigen vvenschen in dezen. Misschien had Frits Millioen den lust tot uitbeelden van het hedendaagsch leven in haar versterkt; in allen gevalle deelt zij ons in den 3den druk van De Delftsche Wonderdokter mede: „het heeft maar aan eene bijomstandigheid gelegen, dat Francis Mordaunt (MajoorFrans) niet aan Graswinckel is voorafgegaan, want beide onderwerpen trokken mij gelijkelijk aan." Het onderwerp van haar nieuwen roman, door haar zelve omschreven als: „de strijd eener vrouw tegen zich zelve en de wereld" is met talent en op boeiende wijze door haar bewerkt. Wij vinden hier een uitermate onafhankelijk meisje, freule van Engelsche afkomst, gevrijd door een degelijken Hollandschen jonker; een strijd tusschen deze twee, eindigend met de overwinning van den jonker; daarmede vervlochten den strijd der vrijheidlievende, opbruisende en opstuivende Francis, fijngevoelig ondanks haar kracht die soms ruwheid wordt, tegen de kleingeestige buitenwereld zooals die zich in een landstadje vertoont. De blijkbare sympathie der schrijfster voor een jonge vrouw die zich zelf wil zijn, maakte dit boek bijzonder aantrekkelijk in een tijd die de emancipatie der vrouw op den voorgrond zag komen. Een onvoorwaardelijke verdedigster van dat streven

Sluiten