Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niets ruil ik 't voorrecht van Dichter te zijn"; doch stemmen geheel in met deze zelfkarakteristiek, die pleit voor zijn inzicht, bescheidenheid en oprechtheid:

lk, met mijn half talent: poëet, en toch niet recht;

Een prozamensch, niet gansch; wel dichter, maar niet echt.

Dat hij des-ondanks bleef meetellen onder de voorname vertegenwoordigers der letterkunde, had hij te danken aan zijn Waarheid en Droomen en zijn vriendschap met Beets, aan het gezag van zijn ambt en zijn beminnelijke persoonlijkheid, niet het minst aan de lage eischen door de meesten aan de poëzie gesteld. Zoo vierde dan ook hij in 1882 zijn jubilé en kreeg zijn marnieren borstbeeld in het Rijks-Museum. Bij dat jubilé werd hem een som van ƒ 18,000 ter hand gesteld voor den bouw eener nieuwe Hervormde Kerk. Beter geschenk zal hij zich niet gewenscht hebben, want de Hervormde Kerk had zijn hart. Niemand zal hem die liefde misgunnen; doch wie poëzie en schoonheid liefhadden en geloofden in den verheffenden invloed die van beide kan uitgaan, was het een reden tot ergernis of verontwaardiging dat de ontwikkelde standen nog steeds opzagen tot mannen als Hasebroek als leiders ook in het veld der literatuur.

Met nog meer recht geldt dat van Hasebroek's vriend Ten Kate, die als dichter zooveel meer naam had, wiens gezag en voorbeeld zooveel sterker invloed oefenden. Nog altijd ontstroomden de verzen zijn rustelooze pen: tal van zwaarstichtelijke, gemakkelijk-berijmde, ondiepe verzen van hem zeiven, met hier en daar iets zoetelijks; min of meer getrouwe navolgingen van uitheemsche origineelen, zooals in de bundels De Jaargetijden (1871) en Een Handvol Dichtbloemen (1876); cantaten bij een of andere feestviering; groote gedichten in den trant

Sluiten