Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Watergeuzen feestelijk werd herdacht, schroomde hij niet zijn geloofsgenooten in een vlugschrift te waarschuwen, al zong het volk ook: „Als Alberdingk niet vlagt /ƒ Dan gaat-ie in de gracht." Hij neemt deel aan het jubilé van Bosboom — Toussaint, maar — tot ergernis dier overtuigde protestante - met eenige verzen aanvangend:

lk ben van de Oude Burgery Der lang verstokte stad aan 't .IJ,

Die, voor de volksviktorie In 't Hoofdkwartier van Kenmerland Geen pek — aan pekton heeft gebrand Bij zeer betwistbre glorie.

Mede door zijn benoeming tot Hoogleeraar aan de Akademie van Beeldende Kunsten (1876) bleef hij in voortdurende aanraking met ontwikkelde Protestanten; waar zijn beginselen het hem veroorloofden, werkte hij met hen samen: aan de Hooftfeesten in 1881 nam hij een werkzaam aandeel, aan het Breerofeest in 1885 onttrok hij zich niet. Maar aan Vondei. wijdde hij toch zijn beste krachten; zijn voornaamste werk na 1870 is De Portretten van Joost van den Vondel (1876), welks ondertitel: „eene laatste aflevering tot het werk van Mr. Jac. van Lennep" toont, dat de Roomsche Vondel naar zijn meening niet voldoende in Van Lennep's werk uitkwam. Hoe verdienstelijk ook in het genre der historisch-letterkundige novelle, deze Portretten vertoonen geen ander karakter dan Thijm's vroeger werk van dezen aard; dit geldt evenzeer van novellen als: Joanna Koerten (1879), Oerard de Lairesse (1879), Hooft en Vondel huwelijksbezorgers (1879), Twee Pieters (Langendijk en Czaar Peter; 1880), Jacob de Witt (1882), Gedenkschriften van Jan Sinkel de Jonge (1883), Nötre Dame de

Sluiten