Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DRAMA EN TOONEEL.

Wij heb'ben er vroeger op gewezen, dat het eerste auteursgeslacht der 19de eeuw vooral door zijn critiek iets gedaan heeft tot verheffing en veredeling van het tooneel. Helvetius van den Bergh nam in zijn blijspelen een aanloop, maar er volgde geen sprong; ook Van Lennep heeft invloed ten goede geoefend; doch van eenige herleving en vernieuwing mag toch pas sprake zijn, nadat omstreeks 1848 het tweede geslacht op den voorgrond komt en Schimmel aan het werk gaat.

Een opmerkelijk verschijnsel in dezen tijd is de oprichting van talrijke Rederijkerskamers, al waren de nieuwe vereenigingen van gansch anderen aard dan de oude. Het was Van Lennep die dezen bal aan het rollen bracht. Zijn aanstekelijke bewondering voor Vondel had zich medegedeeld aan eenige jongere Amsterdammers en er hen toe gebracht Lucifer voortedragen, „allen in zwarte frac en witte col", in een zaal van „Felix Meritis" (1844). Toen die proef uitnemend geslaagd was, besloten zij ook andere meesterstukken onzer dramatische literatuur ten gehoore te brengen en — de nieuwe Rederijkerskamer was ontstaan. Huydecoper's Achilles was het eerst aan de beurt en bezorgde de nieuwe vereeniging vermoedelijk haar naam; daarna volgden andere klassieke treurspelen, want op dat genre vooral hielden de leden van „Achilles" het oog gericht. Aanvankelijk was het hun slechts om de kunst der voordracht te doen; niet tooneelspelers wilden zij vormen, maar den smaak van het publiek voor drama en tooneel ontwikkelen. Langzamerhand echter weken zij van dien weg af en naderden tot de tooneelkunst; toen zij in 1855 een „voordracht in costuum" aankondigden, waren zij reeds op weg naar het liefhebberij-tooneel.

Ondertusschen had hun voorbeeld navolging gevonden; een

Sluiten