Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevorderen van oorspronkelijke tooneelliteratuur en degelijke tooneelcritiek, het uitgeven van een tijdschrift. Hoeveel en hoe scherpe of kwaadaardige critiek zoowel Het Tooneelverbond en Het Nederlandsch Tooneel als de Tooneelschool en het Tijdschrift ook te doorstaan hebben gehad - ontkennen dat zij veel goeds tot stand hebben gebracht, zou getuigen van grove onbillijkheid.

Ook in stoffelijk opzicht zien wij verbetering komen.

Peters speelde de rol van August in De Neven zóó schoon, dat vurige bewonderaars hem na afloop der voorstelling in triomf naar zijn woning brachten; als de arme dichter Henri in Laurierboom en Bedelstaf kreeg hij lauwerkransen, serenades, een zilveren beker - doch deze bewonderde tooneelkunstenaar genoot een gage van ƒ 7.— 's weeks en moest een zwarte jas voor De Neven huren. Hoe konden, onder zulke omstandigheden, tooneelspelers en speelsters voor den dag komen en leven als fatsoenlijke menschen? Voor betere traktementen zou eerst Het Nederlandsch Tooneel gaan zorgen; ten bate van hulpbehoevende tooneelisten, van weduwen en weezen werd in 1849 de maatschappij „Apollo" opgericht, die nog bestaat en velen ten zegen is geweest.

Met de rechten en belangen der tooneelschrijvers wordt meer rekening gehouden dan vroeger: aan Schimmel werd - waarschijnlijk voor de eerste maal in Nederland, zegt hij zelf - na de vertooning van zijn Schuld en Boete een „droit d'auteur" toegekend van 5% over ƒ 1500: de bruto-opbrengst van twee vertooningen; toen zijn Napoleon, met Peters in de titelrol, voor Roobol, Tjasink en Peters een „kas-stuk" was gebleken, bood de Directie den auteur een fraai geschenk aan als teeken van haar erkentelijkheid; ook Albregt en Van Ollefen keerden reeds vóór 1877 5 o/0 der bruto-ontvangst van een stuk aan de tooneelschrijvers uit.

Sluiten