Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het stille Kortrijk, een paar uur van de Fransche grens, kon hij niet aarden; dat bleek wel uit zijn novelle De Burgers van Darlingen (1861), waarin een bekrompen plutocratie in enkele van hare vertegenwoordigers wordt geschetst. Beter beviel het hem in zijn sinecure te Brussel die hem ruimschoots tijd liet voor letterkundig werk en gelegenheid gaf tot verkeer met geestverwanten; in de hoofdstad heeft hij zijn laatste levensjaren doorgebracht, daar is hij in 1883 gestorven.

Nieuwe wegen slaat hij na 1848 als auteur niet in; ook heeft hij na dat jaar geene werken voortgebracht die het vroegere overtreffen, doch vrij wat dat op één hoogte staat met het beste van vóór 1848. Ook nu werkt hij aan de zedelijke en geestelijke ontwikkeling zijner lezers door middel van verhalen en schilderingen, ontleend aan het verleden en het heden van het Vlaamsche volk. Bij dozijnen brengt de vlug werkende schrijver zijn novellen en romans voort, historische en hedendaagsche in bonte afwisseling; in de hedendaagsche het oog richtend op den middenstand, een enkelen keer op den hoogeren stand, of, en vaker misschien, op den boerenstand. Onder de historische romans van dezen tijd vinden wij, behalve den reeds genoemden Jacob van Artevelde: De Boerenkrijg (1853), een schildering uit den opstand der Brabantsche boeren tegen de Franschen in 1793; Hlodwig en Clothildis (1854); Batavia (1858), uit de eerste jaren van de vestiging der Nederlanders in Oost-Indië; Simon Turchi (1859), een moordverhaal uit het Italië der 16,le eeuw; De Burgemeester van Luik (1866), ontleend aan de geschiedenis van de Luiksche partijschappen der 17de eeuw; De Kerels van Vlaanderen (1870), een verhaal uit de 12de eeuw; Koning Oriand (1872), een bewerking der Zwaanridder-sage; De Schat van Felix Roobeek (1877) en De Oom van Felix Roobeek (1878).

Sluiten