Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kracht moest uitgaan van de aanraking met dat geidealizeerd voorgeslacht; in hooger mate echter van romans uit het hedendaagsch leven als: De arme edelman (1851), De Geldduivel (1856), De jonge dokter (1860), Het ijzeren graf (1860), De Koopman van Antwerpen, Geld en Adel, Levenslust (1863), Menschenbloed (1864), Bavo en Lieveken (1865), De Ziekte der Verbeelding (1865), Schandevrees (1874), Het wassen beeld (1879). In de meeste dier verhalen vinden wij brave menschen tegenover slechtaards of boosdoeners, met de zegepraal van goed over kwaad tot slot; andere richten zich tegen een bepaald misbruik of een bepaalde ondeugd: Menschenbloed tegen het duel, De Geldduivel tegen de hebzucht, Een Uitvinding des Duivels (1864) tegen de drankzucht. Als niet handen te tasten is de zedelijke strekking in Bavo en Lieveken, waar twee weversgezinnen tegenover elkander worden gesteld: in het eene is men braaf en voorspoedig, in het andere behept met allerlei ondeugden en gebreken; het booze gezin trekt naar Frankrijk, doch komt verarmd en radeloos terug. Ondeugd, achteruitgang en trek naar Frankrijk moesten natuurlijk samengaan. Duidelijker nog zag men dat in De Kwaal des Tijds (1859): in die schets uit het dorpsleven wordt een jong Vlaamsch edelman, onder den invloed van een Franschen vriend, hoogmoedig en twijfelziek; hij wendt zich af van Vlaanderen en het Vlaamsch, denkt reeds over zelfmoord, doch komt bijtijds tot inkeer en trouwt met een Vlaamsch meisje.

Het nationaal element in beide laatstgenoemde werken vormt een schakel tusschen Conscience's historische en zijn hedendaagsche romans; deze laatste zijn weer door de zedelijke strekking nauw verwant met verhalen uit het dorpsleven als: De Loteling (1849), Baes Gansendonck, Blinde Rosa, Houten Clara, alle van 1850, Moeder Job (1856), Eene 0 te veel (1872); ook hier zien wij soms de strekking reeds in den titel uit-

Sluiten