Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedrukt, zooals in De Gierigaard (1852) en De Plaag der Dorpen (1855).

De orde die wij bij deze beschouwing van Conscience's werk hebben gevolgd, zou anders zijn geweest, indien wij uitgegaan waren van de kunst die hier valt vvaartenemen; dan toch zouden wij de verhalen en tafereelen uit het dorpsleven voorop hebben gezet om te eindigen niet de historische romans. Ongetwijfeld hebben al deze werken, welke stof zij ook behandelen, veel gemeen: eenvoudige menschelijke aandoeningen in eenvoudig spel van wisselwerking, forsche lijnen, felle of schreeuwende kleuren, scherpe tegenstelling van licht en bruin, weinig nuanceering, doorgaans aan de oppervlakte blijvend, zelden afdalend in de diepten des gemoeds, de verbeelding aan het werk zettend — het al uitnemend geschikt om indruk te maken op eenvoudige lezers of hoorders. Het buitengewone wordt hier nog steeds tot het buitensporige: als Hlodwig «een schreeuw laat", dreunt het omstaand geboomte (I, 83); een duivelachtige neef uit De Geldduivel volbrengt dit kunststuk: «zijne wangen verkrampten, zijne tanden kraakten, de haren stonden hem te berge boven het hoofd en sidderden als de manen eener hyena." Met die buitensporigheid strookt de naïeveteit van den auteur, die een oude, „door blijdschap aangejaagde", dame laat huppelen en met luider stemme juichen (De Kwaal des Tijds p. 14-15) en de tollens-achtige voorstelling van tevreden armoede als b.v. in deze passage uit De Gierigaard: ,,Hadde een millioenhebbende rijkaard dit noenmaal kunnen zien (pap, aardappelen en gebakken spek met tevredenheid) gewis, hij zou het lot dezer arme menschen benijd hebben."

Niet in de uitbeelding van historisch leven of de schildering der hartstochten ligt voor ons Conscience's kracht, maar in zijn tafereelen uit het leven dier kleine burgerij en plattelands-

Sluiten