Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dautzenberg; eerst op lateren leeftijd echter zou die ontroering zich in eigen verzen uiten. Dautzenberg vertoefde eenigen tijd als secretaris van een ouden Belgischen graaf te Parijs, daarna was hij leeraar in het Fransch te Gent, later huisleeraar der kinderen van Graaf Dumonceau te Vilvoorden. Beschaafd Nederlandsch zal hij pas langzamerhand geleerd hebben; in 1836 had hij nauwelijks eenige verzen van Tollens gelezen. Met Van Duyse als raadsman ontwikkelt hij zich gaandeweg; in 1850, op zijn 42ste jaar dus, geeft hij zijn eersten bundel Gedichten uit, die pas na zijn dood gevolgd werd door een tweeden, onder den titel: Verspreide en Nagelatene Gedichten (1869), bezorgd door zijn schoonzoon Frans de Gort.

Aan Dautzenberg's sympathie voor de Vlaamsche Beweging zal niemand twijfelen, die zijn Odes aen Vlaenderen en andere stukken van dien aard heeft gelezen; toch leverden natuur en liefde heni rijker zingensstof. Onder zijn werk vindt men meer dan een vloeiend stukje dat getuigt van liefdevolle waarneming der natuur; in zijn Herinneringen aan Limburg niet zelden iets gemoedelijks; sommige zijner volksliederen (De Draaijer, De Kuiper, De Pottenbakker) zijn niet slecht, al evenaren zij die van Heije niet. Doch zijn vers- en rijmvaardigheid verleidt hem die minder te zeggen had dan Van Duyse, vaak tot voortwiegelen op het eens aanvaard rhythme zonder er zich veel om te bekommeren wat hij zingt. Begint hij eens met een goed of mooi couplet (Muggendons), dan zakt hij reeds in het tweede. Te vaak zoekt hij de kunst in het kunstige of wat maar kunstig lijkt. Dat men bij het gebruiken van klassieke metra rekening moet houden met de kwantiteit der Nederlandsche lettergrepen, zag hij helder in; maar over het hoofd of er in zijn klassiek-gebouwde verzen ook poëzie was. De Loverkens die hij in navolging van Hoffmann von Fallersleben dichtte,

Sluiten