Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. D E P O E Z I E.

JAN VAN BEEkS (1821-'88). FRANS DE CORT (1834-78).

JULIUS DE GEYTER (1830-1905). JULIUS VUYLSTEKE (1836-1903). JAN VAN DROOGENBROECK (1835 - 1902).

EMANUEL HIEL(1834 - '99). GUIDO GEZELLE (1830- '99).

De Antwerpsche kring van „Het Zwart Paerdeken" was vervangen door dien van „De Klok", waar ouderen als Conscience en Sleeckx samenkwamen met jongeren als De Geyter, De Cort en Hansen. Daar was ook Jan van Beers te vinden, in leeftijd tusschen de ouderen en de jongeren staand en daardoor wel geschikt een schakel tusschen hen te vormen. Geboren in Antwerpen, heeft hij er, eerst als onder-bibliothecaris, later als leeraar aan het Athenaeum, het grootste deel van zijn leven doorgebracht. Opgevoed door een moeder en vier vrome teerhartige zusters, wordt hem als knaap zekere weekheid eigen, die hem altijd is bijgebleven. Die weekheid en de hooggestemde romantiek die hij opdeed in de samenkomsten van Het Heilig Verbond (zie p. 416), kenmerken een groot deel van zijn eerste werk.

Het is vooral vage muzikale gevoels-lyriek; cantaten en daarop gelijkende stukken (Bij den dood der Koningin, Maerlant, De Oorlog) ontbreken er niet; het week-sentimenteele, droefgeestige, sombere doen er zich krachtiger gelden dan bij eenig Noordnederlandsch auteur van dien tijd: De Zieke Jongeling werd berucht en terecht geparodieerd; uit hetzelfde jaar (1846) dagteekent een dialoog tusschen een bloemekijn op een graf en een maagdelijn; voorts vinden wij er een blinden bedelaar wiens eenige dochter sterft, waarschijnlijk aan „heimlijk-onderdrukte liefde" (1854), een arm gezin op Sinterklaas waar de moeder 's morgens bij het lijk van haar eenig kind staat, een kreupele, de ellende van „bestedelingen", een arm schoon

Sluiten