Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oorspronkelijk wezen. Dat geldt van Conscience, de Van Ryswyck's, Sleeckx en anderen; het geldt ook van Guido Gezelle.

Zoon van een boomkweeker buiten Brugge, als kleine jongen reeds door zijn vader aan het plukken en snoeien gezet, komt hij langzamerhand tot die innige vertrouwdheid met de natuur in haar oneindigen rijkdom van verschijnselen, die wij in zijn poëzie bewonderen. Biddend met zijn vrome moeder in de kerken van het stille Brugge, met haar luisterend naar „het lof' in het Engelsch Klooster, wordt hem dat kinderlijk-oprecht geloof eigen, dat op het platteland van Vlaanderen sinds de middeleeuwen weinig of geen verandering had ondergaan. Pastoor - ideaal van kleine luiden voor hun zoon - dat zou Guido worden. Op zijn 12de jaar zien wij hem in het kleinseminarie te Rousselaere om er, tegen portiersdienst, zijn voorbereidende vorming te ontvangen. Toen reeds legde hij zijn oor te luisteren aan het hart des volks; hij geniet van de verhalen over „volk en vee en veld" der boeren die hun zoons komen bezoeken, de liedjes der kleine zangers met de ster tegen Kerstmis, het dansspel van „Brunelleken" uitgevoerd door kleine meisjes „met de hoekjes van hun schortjen tusschen duim en vinger". Vlaamsch-katholiek geloof, Vlaamsche natuur, Vlaamsche volkstaal en volksleven - daarvan zal zijn hart voortaan vervuld blijven.

Van 1850-'53 volbrengt hij zijne studiën aan het grootseminarie te Brugge, wordt in 1854 tot priester gewijd en keert, nu als leeraar, naar het seminarie van Rousselaere terug. De zachte man met zijn hart vol liefde is spoedig de vriend van de jongens die op de speelplaats tegen hem op klauteren en wordt als leeraar in de klasse van poëzie bijna aanbeden door een troepje begaafde leerlingen. Hoe hingen die jongens

aan zijn lippen, wanneer hij hen langs eigen wegen in het

46*

Sluiten