Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Goeden Vrijdag in de kerk gebeurt (Goe Vrijdag) -, welk een sterk verlangen naar God in het prachtige Ego Flos.

Ook in deze laatste periode van Gezelle's dichterlijke werkzaamheid valt er, uit aesthetisch oogpunt, vrij wat ongelijkheid tusschen zijne werken onderling waartenemen; maar het goede en mooie of voortreffelijke hebben verre de overhand op het middelmatige. Te midden van een aantal Vlaamschgezinde gedichten die niet hoog staan, wordt men verrast door een prachtig couplet als het volgende:

Zij kwamen gereden, met schande en niet schrik,

met wagens vol bindende boeien:

zij gingen, zij zwoeren 't met haat in den blik,

heel Brugge doen hangen en gloeien;

noch vrouwe, noch maagd,

noch kind, noch gedaagd en zou daar, eer morgen, ontsnappen de woede en de kracht der zuidersche macht en 's peerdenvolks ijzeren stappen.

De natuurpoëzie staat ook nu weer in schoonheid het hoogst; wij hebben hier het oog op bijzonder mooie stukken, over de zon zooals De zonne rijst, o Gulden hoofd der blijde zonne, o Heerlijk Handgedaad; op winterschilderingen als Vol naalden vliegt de lucht, Waar nu gegaan? O kinders van de locht. Wat weet Gezelle niet te maken van een distel (Niemandsvriend); wie heeft zoo de schoonheid van het avondrood geschilderd en doen gevoelen. Voortreffelijkheid van uitbeelding bewonderen wij o. a. in Bonte Abeelen, Gekamde koning Canteclaar, De Bleekersgast. Hoe ziet men die wagentrekkende paarden (Twee Horsen)-, de «broze levendheid" der kapel,

Sluiten