Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Theodoor van Ryswyck (1852) is ten minste natuurlijke vroolijkheid, levendigheid, afwisseling en eenige volksluim; Een man die groen ziet (1858) van denzelfden schrijver heeft heel weinig om het lijf, maar is niet kwaad van opzet en gang.

Hadden de tooneelschrijvers zich durven laten gaan in hun eigen taal: het dialect dat zij thuis spraken en ook elders rondom zich hoorden, misschien zouden zij meer goeds hebben geleverd. In het niet onaardig kluchtspel met zang Pier-la-la (1854) van een auteur die den beroemden naani van Jacob Kats draagt, zijn de mindere personages die in dialect spreken, ten deele welgeslaagd; dit stukje ontleent bovendien iets pittigs aan de hier verwerkte tegenstelling tusschen liberalen en clericalen.

Iemands oordeel over de Vlaamsche tooneelletterkunde van dezen tijd, zal ten slotte afhangen van het standpunt dat hij bij zijn beschouwing inneemt. Let hij slechts op het streven van sommige Vlaamsche tooneelschrijvers: „de tooneelletterkunde in het gezond, zedelijk en vaderlandsch spoor te houden"; op pogingen als die van Sleeckx die van het tooneel een nieuwen „goedendag" wilde maken „tot verdediging en redding der bedreigde Nederlandsche nationaliteit"; beschouwt hij de tooneelkringen ten platten lande louter als „brandpunten waaruit eenig licht van geestelijk leven straalde" — dan zal hij de hooge verdiensten van dit drama en tooneel gaarne erkennen. Vraagt hij echter, zooals het in een geschiedenis der letterkunde voegt, niet in de eerste plaats naar de staatkundige, doch naar de ethische en aesthetische beteekenis van een werk, dan zal hij van oordeel zijn, dat door deze Vlaamsche tooneelschrijvers slechts een akker is ontgonnen, die later vrucht moge dragen voor de geestelijke ontwikkeling van Vlaamsch-België en Noord-Nederland ").

Sluiten