Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar het aantal Handschriften is onvergelijkelijk veel grooter en moet van alle hemelstreken worden bijeengebracht, reden vermoedelijk waarom W. C. van een soortgelijk voornemen zeventien jaren nadat het opgevat werd moest schrijven: „This plan was interrupted and ultimately abandoned." 1)

Toen Johann Sichard in 1526 den eersten druk het licht deed zien, gebruikte hij daartoe twee Manuscripten, een van Basel, sinds daar niet meer aanwezig, en een van Schönau. -) Herdrukken van dezelfde uitgave volgden in 1541 en 1568. Toen kwam te Keulen in 1569 Gruterus Benradius aan het woord en de Leidsche liibliotheea maxima patrum nam in 1677 zijn arbeid over.3) Cotelier maakt melding van zes Handschriften, de Codices Thuaneus, Petri Candelerii, Petri Petiti typographi, Carmelitarum discalceatorum, regius en sorbonicus. Laatstgenoemde, onder n°. 203 te Parijs bewaard, is van de elfde eeuw en toont nog het ingeplakt bewijs van door Cotelier te zijn gebruikt. De eerste huist desgelijks te Parijs en werd aan zekere bijzonderheden door de Lagarde onder het nummer 2964 herkend. •<) De vergelijking van zooveel nieuwe Handschriften was een belangrijke aanwinst, die aan de uitgave van 1672 door Cotelier en aan de verbeterden van 1698 en 1724 door Clericus en den aan laatstgenoemden gelijke van 1766 door Galland ten goede kwam. Daarop volgde te Leipzig in 1838 Gersdorf's editie in de Bibliotheca patrum ceclesiasticorum Latinorum, een zeer welkome verfrissching, totdat Richardson zijn belofte vervuld zal hebben onze eenige troost. Hij beschikte over belangrijk uitgebreid materiaal. Oxfordsche Handschriften had Grabius, Bernsche Rettig voor hem gecollationeerd. En beklaagde de Lagarde zich, dat hij een paar Leipziger Handschriften niet te leen had kunnen krijgen en liet hij zich er met weinig eerbied over uit, 5) de bezorger van de Leipziger editie was in gunstiger omstandigheden en roemt dankend: maximo mihi in curando hoe opere adjumento fuerunt. °) Zij zijn respectivelijk van de elfde en van de dertiende eeuw. Beiden kenmerken zich door uitlatingen, die volgens de Lagarde niet van critische waarde zijn, omdat zij slechts op de ,,in die Legende hineingestopften dogmatischen Erörterungen" betrekking hebben. „Man interessierte sich in Pegau und auf dem Petersberge eben nur für den Roman, nicht für die vergilbte Dogmatik." Doch dit oordeel berustte slechts op mededeelingen van een ander. In zoover doet het de waardeering van Gersdorf geenszins te niet, als de beide Handschriften door hem almede van de besten geacht en de ontbrekende stukken „neque a librario negligente praetermissi neque ad orationis seriem sententiarumque concinnitatem omnino necessarii"

1) 1 ndex p. V. -j dc Lagarde. dem. S. Srliliniuinn, I)i<* Cl<;in. S.

S. 2;i. r>) S. 20. '■) p. VIII.

Sluiten