Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genoemd worden, en hij op grond van deze verhoudingen verklaart: „quid de iis statuendem sit locis, ineertus haereo." Ter wille van het belang der quaestie werden de bedoelde stukken in mijne vertaling onderscheiden door cursieven druk en zullen wij er in het vervolg van dit onderzoek op moeten terugkomen.

Intussehen is met de uitgave van Gersdorf, die den brief van Clemens aan Jacobus achterwege liet en daarenboven verzuimde indices en commentaren te geven, nog op verre na niet verkregen wat te wenschen is. Maakt deze geleerde melding van een menigte Manuscripten, die „in bibliothecis servantur Parisiensibus, Bodleiana, Oxoniensi, Basileensi, Bernensi, Lipsiensi Paullina et in aliis pluribus",1) het blijkt niet, dat hij ze allen heeft ingezien, al voegt hij een enkele maal passages uit „Parisienses" of uit den Bodleianus in.-) O. F. Fritzsche bezorgde in 1873 de „Epistola Clementis ad Jacobum ex Rufini interpretatione" en maakte daartoe gebruik van een codex Rhenovensis, een Sangallensis en twee codices Bernenses, die hij beloofde „alias" uitvoeriger te zullen beschrijven.:i) I)e Lagarde breidde zijn onderzoekingen naar Handschriften verder uit. Te Parijs had hij er tien van de Recognitiones onder de oogen en in Munchen vijf, die hij allen beschrijft, -i) daarbij nagaande in hoever de eersten met door Cotelier gebruikten samenvallen, en betreffende de laatsten, in hoever zij blijkens de spelling der eigennamen op denzelfden grondtekst berusten. „Ueber die in England aufbewahrten Abschriften unseres Buches", zoo besluit hij, „weiss ich nichts beizubringen." Bij dezen staat van zaken is het angstwekkend bij Harnack uit de pen van Richardson een opgave te vinden van niet minder dan vierenzeventig codices. •">) „All the above I have seen and noted more or less fully", laat de verslaggever er op volgen. Van een zestal heeft hij over volledige copieën te beschikken, en van twaalf anderen over gedeeltelijke afschriften of vergelijkingen. Tot twee malen toe deed hij te Leuven nasporingen van een verloren exemplaar. Ook weet hij van Handschriften te Yalenciennes, te Erreux, te Rouen en te Kopenhagen, ,,but they are not of importance enough to justify a special trip to see." Dat er nog anderen bestaan mag hij redelijkerwijze vermoeden, weshalve hij tot Harnack komt met de vraag: „ Would it be within the scope of Your note to say that informations concerning Mss. not mentioned above would be a favour" ?

En dit alles heeft nog slechts betrekking op Handschriften van den Latijnschen tekst. Maar er zijn ook vertalingen. Te Parijs is een Arabische codex, die „haud paitca continet quae ex Recognitionibus excerpta esse videntur", vermengd trouwens „cum ineptiis variisque hallucinationibus ae conquestionibus de injuriis et malis", die van zeer

i) ),. VII. yin 2S; X 72. 3) j>. 4) S. 24 f. ■') I S. 22!) f.

Sluiten