Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ningcn eindigt met ge- tot heengaan te bewegen en de redenaar

nezingen de dag(231'). stelt zich weer tevreden met een nachtverblijf in de open lucht (37).

X.

V.

De nieuwe dag wordt

begonnen met een Den volgenden morgen openen zich als

woord over 't verschil gewoonlijk terstond de sluizen zijner wel-

tusschen zonde en sprekendheid (1). Na een aanhef over

dwaling (1,2), waar- zondeval en herstel noemt hij ongeloof in

na al spoedig de heilbe- een godsgericht en onkunde in de gods-

geerige schare zich dienstleer de oorzaak van alle ellende,

aanmeldt. Petrus her- waaraan de mensch het evenwel in zijn

innert allen aan's men- macht heeft te ontkomen (2—8). De goede

schen hooge afkomst koning, dien men te kiezen heeft, is Je-

en val en maant tot zus (9, 10), de vervuiler der profetieën

godvreezendheid aan voor Joden en Heidenen (11—12'). Geloof

als het middel om her- in hem alleen voert tot de vereischte god-

steld te worden in den vreezendheid en herstel van den verloren

oorspronkelijken staat staat (12b, 13).

(3-6).

Allereerst hebben zij zich te verheffen boven den vernederenden beeldendienst (Hom. X 7—9; Ree. V 14, 15), er aan gedachtig dat het de slang is, die hen in onkunde doet volharden en bij veelgodendom vrede vinden (Hom. X 10—16; Ree. V 16—20) en allerlei drogredenen ter verontschuldiging van de beeldenvereering hun inblaast (Hom. X 20b - 25). Als een teekening van den dierendienst der Egyptenaren de toehoorders doet lachen, tracht Petrus hen te doen gevoelen, dat zij inderdaad niet wijzer zijn, en duidelijk te maken, dat het zuivere godsbegrip alle gedachte aan veelheid buitensluit (Hom. X 17—20»; Ree. V 21, 22). Dan volgen nog genezingen, en eer het gezelschap ter ruste gaat, lost Petrus nog in een schaduwrijk oord al de vragen van wel twintig vragers op (Hom. X 26; Ree. V 36'').

Hom. XI; Rec. V 23—36, VI.

De vierde dag begint met een rede over de kuischheid in besloten kring (Hom. XI 1; Rec. VI 1, 2a). Voor de scharen, die met ongezuiverd bouwland vergeleken worden (Hom. XI 2, 3; Ree. VI 2, 3), spreekt Petrus over het beeld Gods en hoe men het eeren kan (Hom. XI 4, 5; Rec. V 23), en gaat dan voort met tal van redeneeringen te ontzenuwen, inblazingen van de slang ten einde veelgodendom en beeldendienst in stand te houden, als daar zijn, dat God er zich niet tegen verzet, of persoonlijk op hulde niet gesteld is, en

Sluiten