Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerste eeuwen en desgelijks de stellers van artikelen voor Lexica of Encyclopaedieën aanleiding tot min of meer opzettelijke behandeling van het vraagstuk. George Salmon deed het in de Dictionary of christian liioyraphy,l) Uhlhorn in Herzog's Realencyclopaedie.-) Ritschl wijdde er in de eerste uitgave van Die Entstehung der alt. katholischen Kirche eenige bladzijden aan,:i) die hij in de tweede liet vervallen, liaur') en SchweglerS) waren hem daarin voorgegaan. De dogmenhistorici Seeberg") en Harnack") zouden hem daarin volgen. Higg behandelde „The clementine Ilomilies" in de Studio, biblica et ecelesiostica.s) Ken gansche verzameling ware er aan te leggen van citaten over het onderwerp. Wie maar eenigszins het oudste Christendom in wetenschappelijk onderzoek nam, vond allicht aanleiding om met meer of minder autoriteit over de pseudoelementijnsche litteratuur een woordje mee te spreken. Evenwel deed dit tot nu toe niemand met overweldigend gezag. Het vraagstuk bleek te ingewikkeld. (Jeen enkele poging tot oplossing had nog het gewenschte succes. „Der gegenwartige Stand der Clementinenfrage ist dahin zu clarakterisieren, dass bisher nach keiner Seite hin sichere Ergebnisse, die in weiteren Kreisen Zustimmung gefunden hatten, erziehlt sind''.!')

Bij zulk een stand van zaken is elke poging om nader te komen tot het doel gerechtvaardigd. Reeds het duidelijk omschrijven van het vraagstuk en het effenen van de baan, waarlangs de oplossing moet beproefd worden, heeft zekere waarde. Opklimmende van het bekende tot het onbekende willen wij daarom voorzichtig voortgaan, in afwachting of het ons gelukken zal zonder aanwending van al te roekelooze hypothesen het slot te openen, dat tot de bronnen van den breeden litterarischen stroom der Clementijnen den toegang geeft. Twee Epitome's van verschillenden omvang liggen vóór ons. In tweeërlei afmeting deden de Handschriften ons de Recognitiones kennen. Onderling staan die beide geschriften niet, maar met de Homilieën staat elk hunner wel in verband. Twee wegen schijnen dus te leiden tot het Rome, dat wij zoeken. Wij slaan ze achtereenvolgens beide in, om te zien hoever zij ons voeren zullen, in de stille hoop dat zij uitloopen op sporen die wijzen in dezelfde richting, de richting naar het beoogde wit.

§ l. De Epitome's.

Zoolang van de Epitome's nog slechts de eerste kortere bekend was en van de Homilieën nog niet het laatste gedeelte, kon men

l) I p. 571 ff. 2) IV3 S. 170 ff. 3) 185:!, S. 153 ff. <) o.a. Dip ehr. Gnosis,

1835, S. :i(H> ff. 5) o.a. Das nachap. Zeitaltor 1840, I S. 303 ff. (i) 1 Si»:">, S. 52 ff. 7) 1880, 1 S. 294. ») II p. 157 ff. ») Herzog IV S. 178.

Sluiten