Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarde aan toetekennen, en verklaart daaruit het feit, dat men „oft die langere Form derselben (Epit. II) für die altere angesehen" lieeft en gemeend, ,,durch fortsehreitende Kürzung der Homilieen sei schliesslich eine fast nur historische Darstellung zum Vorschein gekommen".1) Zelf is hij van een tegenovergesteld gevoelen. De langste Epitome zal tevens de jongste zijn. Ten bewijze beroept hij zich op een drietal plaatsen. De laatste (II c. 162, verg. I c. 150) valt buiten de met de Homilieën gemeenschappelijke stof. In c. 106 duidt Epitome II den doop aan met den term d</ f /Jjnih'ji'iii, terwijl Epitome I met de Homilieën overeenstemt in het gebruik van nyyia&tjvai. In c. 46 „verbetert" de langere Epitome de kortere door bij den voor het eerst vermelden Appion het misplaatste ov jigóoftev ë/ivtjoftrj/iev weg te laten. Alleen het middelste van deze drie argumenten heeft wezenlijke bewijskracht, maar het is een verdwijnende grootheid bij de zee van argumenten voor het tegendeel. Langen heeft nog opgemerkt, dat beurtelings de eene Epitome in afwijking van de andere met de Homilieën overeenstemt; ook, dat de tekst der langere Epitome uit dien der kortere en dien van de Homilieën, zelfs in kleinigheden, is samengesteld, en merkt dan op: ,,Aus diesen Verhaltnissen lasst sich hinsichtlich der Prioritat niehts folgern." Zoo wijst hij in de richting, waar moet worden gezocht. Zelf ging hij intusschen in die richting niet ver genoeg. De zaak is, dat Epitome II een uittreksel is uit de Homilieën, en wel een uittreksel dat, vergeleken met de wijze waarop veelal dergelijke reproductiën plachten tot stand te komen, den tekst met zeldzame getrouwheid volgt. Slechts geringe wijzigingen worden er in aangebracht. Ter karakteriseering laat ik hier enkelen volgen.

De godheid wordt bij herhaling gezegd te bestaan h rqioiv vnoariiaeaiv. Zoo c. 7, 23, 42, 57.

Als er in het met dwaling als met rook gevulde huis om hulp geroepen moet worden (verg. Hom. I 1H), dan is die te vragen „van den eenigen goeden Heer en God en onzen zaligmaker Jezus Christus" (e. 17). De „man", die Hom. 1 15 gezegd wordt teekenen en wonderen te hebben gedaan in Palaestina, heet Epit. II 14 „Jezus Christus, de Zoon van God". Soortgelijke uitweidingen, soms met vermijding van specifieke terminologieën, vindt men c. 22, 35, 54, 56, 58. De Schepper heet ftrjfiiovgyog nnvrotv tmv nioftfjraw tf y.at vot]tibv, de schepping een voortbrengen tx zor fit/ ovrog «V to elvai (c. 35).

Waar de Homilieën, het christelijke en het joodsche vereenzelvigende, van tmv 'Iovdawh' spreken, vervangt de Epitome die uitdrukking door to)v Xgiminvcov. Zoo c. 46, 53, en in het opschrift van den brief aan Jacobus. Een paar dozijn malen vermelden de Homilieën de Joden. I)e Epitome slechts zelden. De verwijzing naar wat of (-hor

1) s. ]■)(> t.

Sluiten