Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan na het door Aquilas en Nicetas gesprokene aan ó y.ah\g flhoog het woord. In Epit. II 34 evenwel volgt op die inleiding Zay.yaTog ïjxev Xéyatv. De zaak is, dat de epitomator, door welke motieven dan ook geleid, van Hom. II 33 plotseling naar Hom. III 29 overspingt. Die sprong is wel op de eene of andere wijze te verklaren, beter dan waarom een auteur van Homilieën een negenenveertig hoofdstukken zou hebben tusschengeschoven in een zoo nauw sluitend verband.

In Epit. c. 36a maken de woorden: ,,en geleerd had over de werken Gods en hoevele dingen van Godswege den mensch gegeven werden, en veel vermaningen gegeven had over het eenhoofdig bestuur" alleszins den indruk van een resumeerend surrogaat te zijn voor het zestal hoofdstukken, dat tusschen Hom. III 31" en 38 uit de redevoering van Petrus achterwege gelaten werd.

In e. 53 worden de woorden: „Toen ik dit gezegd had, enz.", uit Hom. IV 25c, eenvoudig vastgeknoopt aan een woord van Clemens uit 24a, met overspringing van wat er tusschen ligt, en het voorbijgaan van geheel de zesde en zevende Homilie kan oorzaak geweest zijn, dat daarna de overgang tot de achtste: rf] rerdoTt] óè tjjuéga, veranderd werd in rij ök inavgiov.

Hom. VIII 10 heeft in het begin: rov /lóvov dyaiïov f-)eov ra ndrra y.a/Mli TteJioirjxótos en VIII 22 maakt aan het eind melding van ftdiiTiofia o etg &(peatv xaxtöv. Wat daar tusschen ligt wordt in Epit. II 64 overgesprongen. Het maakt geheel den indruk van een aanvulling der daardoor ontstane lacune te zijn, als wij er lezen: „De alleen goede God, die alles voortreffelijk gemaakt heeft, zond voor het heil van het menschelijk geslacht zijn eenig geboren Zoon, onzen Heer Jezus Christus, om zijn welgevallen te openbaren en een eeuwige wet te geven, opdat wij door die in acht te nemen en na tot vergeving van zonden gedoopt te zijn het eeuwige leven mogen worden waardig gekeurd". Misschien werkte dat gevoel van behoefte aan schadevergoeding, verlevendigd daarenboven door een nieuwe verkorting van Hom. VIII 23, nog na, toen onze auteur in c. 65 op ravxa efaóvros ai)rov uit eigen pen liet volgen y.al jtagaivéaavrog ttowi ano töjv yoarpwv.

Van de geheele tiende Homilie vindt men slechts iets uit het eerste en iets uit het zesentwinstigste hoofdstuk vereenigd in Epit. II 67 en al de daartusschen liggende stof vervangen door de naar een laten tijd riekende woorden: „Vóór alle dingen, vrienden, behoort wie verkiest God te eeren te weten, dat de ééne God in drie zelfstandigheden gekend wordt. Maar het kenmerkende en uitnemende van Hem is, dat hij de Bouwheer is van alle schepselen, alles omvattende, alles omsluitende, als die boven alles is en alles geformeerd heeft."

Epit. II 78 begint met de woorden van Hom. XI 1 en gaat dan voort: „Die tot God wil komen moet nuchter zijn, ingetogen zijn, den toorn bedwingen, zich anderer goed niet toeëigenen, rechtvaardig,

Sluiten