Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

billijk, standvastig, zachtmoedig leven, liever zich zeiven in behoeften onder tucht houden, dan als hij gebrek heeft door een ander het zijne te ontnemen verzadiging zoeken, rein zijn van hart en zuiver van lichaam en niet gelijk zijn aan de Pharisaeën . . Die laatste wending is min of meer verrassend, maar zij dient den epitomator om na overspringing van al het andere weer aansluiting te krijgen in Hom. XI 29, waar de tekst Matth. 23 : 25 wordt te pas gebracht. Van de regels, die tot aanvulling der lacune dienden, vindt men iets terug in Hom. XI 15.

Epit. II 69 knoopt Hom. XI 3Ü aan het begin van 35 en vervangt het tusschenliggende — het laatst was sprake van Glemens doop met de woorden : „tot den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen geestes. En brood genomen en gedankt en het gebroken hebbende deelde Petrus ons mee van de onbevlekte en levenwekkende mysteriën. Toen onze broeders dan zoo zich te goed gedaan hadden wegens mijne door God gegevene wedergeboorte, brachten wij Gode heerlijkheid en dank". Deze beschrijving van doop en avondmaal en de daaruit sprekende sacramentsvereering laat bij vergelijking met het verdrongen hoofdstuk geen onzekerheid ten opzichte van de vraag, aan welke zijde de prioriteit te zoeken is.

Zoo strekt zich dus de bekendheid van den epitomator met den inhoud der Homilieën verder uit dan tot de stukken, die hij ïechtstreeks overnam. Het moet werkelijk een uittreksel geweest zijn, dat hij leverde. Maar of daarom al wat de tegenwoordige Homilieën bevatten hem onder de oogen kwam? Wie zal hier met zekerheid spreken ? Wij waren geneigd over 't gemis van fragmenten uit Hom. V en VI zonder ergdenkendheid heen te glijden. Zullen wij even kalm Hom. XVII—XIX door den epitomator laten verwaarloozen ? Of moet het achteloos voorbijgaan aan zoo lange stukken onzen argwaan wekken ? En zijn wij, als die argwaan eerst is gaande gemaakt, verplicht ook allerlei minder in 't oog vallende verwaarlozingen er op aan te zien, of zij ook schijnbaar en uit het gebruik van een nog minder volledig exemplaar der Homilieën dan het ons bekende te verklaren zijn? Wij hebben hier geen gegevens om uit die beide mogelijkheden een keuze te doen, maar constateeren slechts het feit, dat de verhouding tusschen de Homilieën en Epitome II de deur openlaat voor allerlei hypothesen, die eventueel ter verklaring van de wordingsgeschiedenis van eerstgenoemd geschrift dienst zouden kunnen doen.

§ 2. De Recognitiones.

Zijn dus de beide Epitome's, wat heur beteekenis voor ons vraagstuk betreft, tot één teruggebracht, de twee uiteenloopende vormen, waarin de Recognitiones tot ons kwamen, verplichten ons ze er op

Sluiten