Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overgeleverde Homilieën in 't geheel niet voor. Verder dan een relatieve oorspronkelijkheid van laatstgenoemden brengt ons dus tot hier aan toe onze tekstvergelijking niet. Maar doorgaans wint het toch de voorstelling van Homilieën. De lezing „omnis mundus" (Ree. VII 7), inplaats van ol r»)c vvv avdoomoi (Hom. XII 7), wier

meerdere Petrus wezen zal, wordt door Lehmann genoemd „Uebertreibung des in spatern, höhern Anschauungen über die Apostel lebenden Ueberarbeiters".') Als de tweelingbroeders in Homilieën (XII 8) gezegd worden navv, in Recognitiones (VII 8) „non valde" op elkaar te gelijken, dan zou de uitdrukking van laatstgenoemden aangemerkt kunnen worden als een poging om het vroegere stilzwijgen over die overeenkomst te verklaren. De telling t'/toc ovv rghov èmyewrj ftérro? wtoï*; in hetzelfde hoofdstuk heeft minstens evenveel kans om oorspronkelijk geacht te worden, als de tijdsbepaling „cum ego quinque vixdum essem annorum". Te recht noemt Langen wat in Ree. VII 11 gezegd wordt van de waardeering van het lijden door heidenen en christenen „einen verworrenen Ausspruch", die in verwaarloozing van de woorden êmygnipoiv tov jiovï)qóv van Hom. XII 11 zijn verklaring vindt.2) Tgiaatovxa olum ovö' okovg maóiovg als bepaling van den afstand tusschen Arados en Antarados komt veel meer met de daarvoor aangegeven twintig stadiën van Strabo overeen3) en is daarenboven veel smakelijker in het onzekere gehouden, dan het zonderlinge „quae sex non atnplius stadiis aberat" (Ree. VII 12, verg. Hom. XII 12). Dat de gastvrouw van Matthidia gezegd wordt een „paralytica" te zijn, in plaats van vjio jiaiïov? nvóg te zijn bevangen, en ,,in nomine Jesu Christi, filii Dei" genezen wordt, kan als door Uhlhorn uit accommodatie aan het wonderverhaal Hand. 4 : 6 worden afgeleid en posterieur geacht (Ree. VII 18, 23; verg. Hom. XII 18).-i) Als daarna Homilieën wel (XII 23) en Recognitiones niet de genezing van Matthidia vermelden, zou men allicht geneigd zijn van een aanvulling te spreken, ware het niet dat deze vermelding zoo onmisbaar is, dat men met meer recht schier als Lehmann •>) aan een overijling ,,in dem Gedrange der Ereignisse" denken mag. Het ontbreken van een parallel der pericoop Hom. XII 25—33, over het wezen der philanthropie, in Recognitiones wordt door Lehmann aangemerkt als een argumentum e silentio, bewijzende dat desamensteller ,,nur die historische Einkleidung", ,,nur das trockene fterippe", te waardeeren wist, niet „die Entwickelung der Ideen", „das blühende Fleisch".'>) Deze uitspraak hangt samen met het beweren, dat het verhaalde oorspronkelijk „nur Folie dieses Lehrvortrages sein soll", en kan hier nog niet beoordeeld worden, maar wij merken toch op, dat van bewondering voor de „bonitas" en de „prudentia"

1) S. 252. 2) S. 124. 3) XVI 2, 13, bij Lehmann. S. 254. 4) Verg. Lehmann

S. 258. 5) S. 258 f. 6) S. 204.

Sluiten