Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Clemens' moeder op grond van haar deernis met de vroegere huisgenoote ook in het verhaal van Recognitiones sprake is (VII 23) en de auteur niet verzuimt in een later hoofdstuk aan die deernis te herinneren met de aanteekening: „cujus beneficiis vicem reddere desiderat" (VII 35). Zekere praesumptie van verband tussehen feit en redeneering bestaat dus in elk geval. Hetzelfde geldt van de rede over de kuischheid, Hom. XIII 14b—21, die eveneens in Recognitiones gemist wordt, met dit verschil, dat de praesumptie hier sterker is, naardien een reeks daaraan voorafgaande en er bij behoorende regelen ook in Recognitiones (VII 38) aanwezig zijn. Terecht maakt daarbij Lehmann de opmerking, dat de woorden ,,si non statim tamen licet tarde", als parallel van xav urj rayéms, dZZ' orv ye xfiv/igadécoc, beter past bij het verderfaanbrengend karakter, dat aan sexueele ongerechtigheid in de Homilieën wordt toegekend, dan bij de straf, waarmee de auteur van Recognitiones haar dreigt (Hom. XIII 13, verg. Ree. VII 38).

Met deze laatste opmerkingen zijn wij reeds in de dertiende Homilie aangekomen, die als de vorige velerlei stof tot bijzondere overweging biedt. Ook van onbeholpenheid kan weer gesproken worden. Men vraagt zich af, hoe de pas met het Christendom in aanrakinggebrachte moeder zich reeds bekommeren kan over het naar de ziel verloren gaan harer zonen (Hom. XIII 5, verg. 4, 8) en daarbij zelfs schijnbaar in een pluralis majestatis spreekt ()/,««?). Niet minder bevreemdt het, dat de gastvrouw der moeder, die immers genezen en beweldadigd op haar eiland is achtergebleven (Hom. XII 24), naar Laodicea zal ontboden worden om den doop te ondergaan (Hom. XIII 9, 10) en ten slotte toch wegzinkt in de vergetelheid (verg. Hom. XIV 1). Ook maakt de kalmte, waarmee de van aandoeningen overstelpten zich neerzetten om naar lange verhalen of redevoeringen te luisteren, naar onzen smaak een komisch effect (Hom. XIII 7,8, verg. XIV 11). Uit een en ander blijkt, dat men geen te hooge eischen mag stellen aan de oorspronkelijke redactie, of omgekeerd tot het zoeken naar een nog meer oorspronkelijke telkens wel reden heeft. Wat nu de onderhavige parallellen betreft, springt het in het oog, dat de voorstelling van Recognitiones de uitvoerigste is. Wat Petrus in Homilieën (XIII 2) als den lezer bekend tlti xscpaZaicov verhaalt, wordt in Ree. VII 26, 27 „per ordinem" medegedeeld, niet zonder noodelooze herhalingen. Ook het gebeurde in het huis van Clemens' vader wordt Ree. VII 30 opzettelijk in herinnering gebracht (verg- Hom. XIII 5). Voorts wordt er een gansch hoofdstuk (VII 37) gevuld met bespiegelingen over den eisch der zelfbeheersching, die men in Homilieën niet vindt (verg. XIII 12). In het afgetrokkene kan men in dergelijke gevallen evengoed onderstellen, dat inkrimping als dat uitbreiding heeft plaats gehad, doch hier is misschien reden om met Lehmann te wijzen op het ijdele van Mat-

4"

Sluiten