Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

thidia's pralerij: „quantus mihi exinde amor fuerit pudicitiae" en het ongepaste der uitweiding in dat verband over de onmisbaarheid van den kleinen Clemens voor zijn vader (Ree. VII 30); voorts er op te wijzen, dat jrXt]go<poQrjaag fj/iag neiai) beter dan onderricht in „quae erant san(ct)a et perfecta" de mogelijkheid van een te onderstellen aanvankelijke sympathie voor het Christendom bij de tweelingbroeders overlaat (Hom. XII 8, verg. Ree. VII 33), en dat de rangschikking van den doop der moeder vóór de rede over de kuischheid (Ree. VII 38, verg. Hom. XIII 13; XIV 1) kan doen denken aan een poging om niet alleen de kennis van het koninkrijk, maar ook de opname daarin te doen voorkomen als het van loon der deugd. 1) Misschien mag nog de qualificatie van de syro-phoenicische als „vidua" (Ree. VII 32) aangemerkt worden als een opzettelijke terzijdestelling van 'lovönin? jiQooijh'ros (Hom. XIII 7). Waarom of waardoor ter eener of ter anderer zijde de namen der familieleden van Clemens verwisseld zijn, waarin de respectieve voorstellingen consequent blijven, zal wel niet gemakkelijk worden gegist.

Een derde gelijkluidend gedeelte bevat de geschiedenis van Clemens' vader, Hom. XX 11—23 = Ree. X 52b—65a, waarbij als inleiding mag genomen worden wat wij lezen Hom. XIV 1—3 = Ree. VIII 1, 2a. De overeenkomst is zoo goed als letterlijk. Slechts wordt wat laatstgenoemde capita betreft in Recognitiones rechtstreeks beschreven, wat in Homilieën na gebeurd te zijn door Petrus aan zijn gezelschap wordt medegedeeld. Deze afwijking hangt samen met een verschil in voorstelling, dat zich over vele boeken uitstrekt. In Homilieën toch heeft de herkenning van den vader kort na den doop van de moeder plaats (XIV 1, 9) en volgen eerst daarop lange disputen. In Recognitiones geeft de verschijning van den vader op het tooneel (VIII 1) terstond tot breedsprakige redeneeringen aanleiding en volgt eerst daarna de herkenning (IX 37). Ook de inhoud der redeneeringen loopt bij beiden verre uiteen. Eerst aan het slot der boeken, in de bovengenoemde capita, vloeien de beide voorstellingen weer samen. Welke der twee de meest oorspronkelijke is, kan niet twijfelachtig zijn. Die van Homilieën is de naiefste, geheel in overeenstemming met den verderen verhaaltrant. De wijze, waarop in Recognitiones gecoquetteerd wordt met voorgevoelens (VIII 2, 5, 8, 35), is te kunstmatig om origineel te kunnen zijn. Daarenboven verraadt in de slothoofdstukken de auteur door zekere onhandigheden zijn posterioriteit. In het hoofdstuk (X 52), waarmee hij aan de parallelle voorstelling van Homilieën (XX 11) zich weer aansluit, laat hij allerlei dingen staan, die uit deze andere voortvloeien, maar bij de zijne niet passen. Als het gezelschap op het punt is van den maaltijd te gaan nuttigen, lezen wij daar: „ingressus quidam nunciat

') S. 270 ff.

Sluiten