Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6, wordt dan weer verbonden met bijzonderheden, die aan Hom. X 4, 6, of VIII 21 kunnen ontleend zijn (c. 9, 13), en loopt ten slotte uit op de vermelding van Gods beeld naar Hom. X 6. De uitweiding over de strekking der profetie is een vernieuwde behandeling van een onderwerp, waarvoor ook reeds I 50 de schrijver belangstelling had gevraagd.!) Hom. VIII 4 had een soortgelijke profetie uit de prediking van Jezus in herinnering gebracht.

Tegen vrees voor goden ,,quos ipse (homo) manibus suis fecit" had in zijn laatste hoofdstuk terloops de schrijver gewaarschuwd en daardoor almede den overgang gebaand tot wat hij in aansluiting aan Hom.

X 7 zou laten volgen. Van daar tot Hom. X 20a blijven de beide voorstellingen elkander getrouw (verg. Ree. V 14—22), zóó getrouw, dat men volgens Lehmann-) ,,den einen Bericht nur für die Uebersetzung des andern halten möchte". Ten deele zou dan evenwel die „Uebersetzung" „Paraphrase" moeten heeten. Bij afwisseling letterlijk en met groote vrijheden minstens had de „vertaling" plaats. Ree. c. 14'J b.v. is van eigen vinding, hoogstens door de jigc&tt] evyéveia van Hom. e. 6 geinfluenceerd. In 15a schijnt een nieuwe overganggebaand en eenige regels verder een al te naieve gevolgtrekking gemaakt te zijn. De „ranae ac bubones", in c. 16 gememoreerd, verhoogen eveneens op eigenaardige wijze het effect. Verschillende vertegenwoordigers van het keizerlijk gezag kunnen in c. 19 als ,,caeterae potestates" zijn samengevat. C. 21b, 22 raakt nog maar in enkele woorden den parallellen tekst (Hom. c. 18—20a), als ter voorbereiding op de omissie die volgen zal. Maar ook de omgekeerde verhouding is denkbaar. De zaak is, dat bij zoo vrije bewerkingen over prioriteit of posterioriteit door gegevens van elders moet worden beslist.3)

De omissie, daareven bedoeld, gold Hom. X 20b—25. Daar de pericoop door een ok xnï rt]v ng/Jiv elgt/xa/isv (c. 22) als verwijzing naar c. 8 in het verband is vastgehecht en daarmede de wettigheid liarer plaats in het origineel bewijst, schijnt de auteur van Recognitiones haar ter zijde gelaten te hebben, minder met opzet misschien, dan wel omdat hij bezig was zijn wieken vrijer uit te slaan. Immers ook het slothoofdstuk, Hom. c. 26, verdaagde hij om eerst Hom.

XI 4—18" als Ree. V 23—36" te laten volgen. Wat in zijn model als leerstof over twee dagen verdeeld was, trok hij samen, en niet zonder voeg, omdat het van verwanten aard was. Met de woorden: ,,Per alios item serpens ille proferre verba hujuscemodi solet" en een gewijzigde inleiding over het beeld Gods (c. 23a) werd een nieuw verband gelegd. Van de gansche serie hoofdstukken kan overigens weer gezegd worden, dat zij bij afwisseling aan vertaling en aan paraphrase doet denken. In c. 24 lezen wij: „Nondum vobis dico

•) Verg. Lehmann S. 222 f. 2) S. 223. 3) Verg. Lehmann S. 224 ff.

Sluiten