Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

speurde in het verband het bewijs, dat de „Transposition" voor rekening van den auteur der Recognitiones komt.!) In de beide volgende paren capita is de overeenstemming niet veel inniger. Gansche regels hebben Recognitiones, waarvan in Homilieën de parallel ontbreekt. Dat de ouders, de yévovg dg^yérai, in den latijnschen tekst gezegd worden niet ,,auctores vitae nostrae", maar „ministri" te zijn, doet aan opzettelijke polemiek denken. Ree. VI 7 en Hom. 22, 23a strooken vrij nauwkeurig, maar dan volgt weer grootere vrijheid. Opmerkelijk dat in de eene redactie ro vöodq gezegd wordt vno nvtvfiazog y.ivi)neo)g in 't aanzijn geroepen, in de andere „per unigenitum ex initio fact(um)" te zijn (Ree. VI 8, verg. Hom. XI 24). Dezelfde Unigenitus vervangt er ook als regenerator de tweeëenheid van God en Wijsheid, in Hom. voorgesteld als de yovelg yevvr/oaneg.2) In plaats van eimouai als doopgeschenk (Hom. XI 26) worden Ree. VI 9 „animae" Gode toegebracht, en waar Hom. XI 27 een drietal zonden als openbaringsvormen der ongerechtigheid noemt, somt Ree. VI 10 er het drievoud van op. Een en ander wijst vrij duidelijk op posterioriteit. Vooral ook doet dit de uitweiding over de „species castimoniae", die in Ree. VI 12 de verwante regelen over y.oivoivin en ayvua, Hom. XI 30, verdrong. Zoo, met afwisselende overeenkomst en verscheidenheid, bereiken wij de slothoofdstukken, behelzende het bericht van Clemens' doop en de regeling van zaken in Tripolis. Hom. XI 34 maakt melding van weerlegging door Petrus van de leer aangaande yéveaig en nvro/iariafióg. Ree. VI 15 zwijgt daarover. Ook over de onderworpenheid aan Jacobus, door den auteur reeds IV 34, 35 te pas gebracht. Clemens laat hij vasten, niet f/fiegcbv, maar „in ultimum". Boden gaan uit naar Antiochië, niet om Petrus daar op te wachten ri/v inofibi]v, maar met het bevel „ibi tres alios expectare menses". Tegenover deze bewijzen van jongere redactie legt het weinig gewicht in de schaal, dat in Hom. XI 36 Tripolis rijg <Poivixt]g en Antiochië rijg Zvging heet. Zoo niet uit toeval, dan kan uit het gebruik van een oudere redactie van het origineel deze afwijking voldoende worden verklaard.

Een derde groep parallellen heeft weinig meer dan de behandelde onderwerpen gemeen. Allereerst geldt dit van de cosmologie en de mythologie. Hom. IV—VI zijn daar vol van. Te Tyrus stelt Olemens de paedagogisch verderfelijke mythologie der Grieken tegenover het ethisch monotheisme der Joden en somt de minnarijen der goden, met name van Zeus den oppergod, op (IV 15, 16). Appion doelt ter verontschuldiging reeds op een symbolischen zin. Een pause in het debat geeft aanleiding, dat een fictief pleidooi voor echtbreuk en een dito verweerschrift wordt voor den dag gehaald. In liet eerste (V

l) S. 240 ff. 2) Lehmann S. 244 f.

Sluiten