Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10—19) worden andermaal de gruwelen van Zeus en de loszinnige theorieën van enkele wijsgeeren omschreven, in het tweede (21—26) wordt het voorbeeld der mythen als van allegorischen aard afgewezen en een Euhemeristische verklaring van de godsvoorstellingen aan de hand gedaan. Als daarna het debat wordt voortgezet, leveren zoowel Appion als Clemens de eene allegorie na de andere, de eerste ter verheerlijking, de tweede tot verguizing van de mythologie. Daarmee vergelijke men nu de verhandelingen in Ree. X. Clemens licht er als deskundige Petrus in. De chaos-leer der „sapientiores" onder de heidenen komt ter sprake. Deze „meer wijzen" (Ree. X 17) herinneren sprekend aan de aoqxózaroi van Hom. VI 2 of de fiéyaXoi h' aotpia van c. 3. Ook is er niet weinig overeenkomst tusschen wat Ree. X 17—19 van de cosmogonie gezegd wordt en wat hier en daar voorkomt in de Homilieën. Het wereldei, waaruit Phanes te voorschijn komt, wordt ook Hom. VI 4—6 beschreven, de Titanen worden VI 2 opgesomd. De gruwelen van Jupiter geeft daarna de auteur van Recognitiones in lange registers (X 20—23a). In Hom. IV 15, 16; V 12 — 14; VI 2 vindt men niet weinige van de namen en bijzonderheden terug. Als hij dan eindigt met de graven aan te wijzen van den vermeenden oppergod en diens zonen (X 23b—25), doet hij niet anders als ook Hom. V 23; VI 21, 22 was geschied. Zijn lijst van metamorphosen (X 26, 27) vindt in Hom. V 15, 17, 22 een parallel. Ja, de vraag der beminde ovxovv jioó tovtov ovx Jjoar nor toet; (Hom. V 22) heeft haar weerga in Petrus' opmerking: „Ergo secundum ipsos, antequam homines mutarentur in stellas ... et caelum sine stellis erat . . De paedagogische invloed van soortgelijke voorstellingen wordt zoowel Ree. X 28 als Hom. IV 18, 19, 25; V 25 verderfelijk geacht. Als Niceta toont van de allegorische verklaring, het apologetisch verweermiddel der heidenen, op de hoogte te zijn (Ree. X 29—34), dan voert hij als Hom. VI 3, 4 Orpheus en Hesiodus ten tooneele en ontleedt hij zijn chaos-leer en cosmogonie met tal van trekken, die ook Hom. VI 2—13 werden aangebracht. De verklaring van den godenmaaltijd doet bij beide auteurs als leerzaam bij uitnemendheid dienst (Ree. X 40, 41; Hom. VI 14). De veroordeeling der mythologie door Aquila en Petrus in breedsprakige betoogen (Ree. X 35—39) schijnt letterlijk genomen op zich zelf te staan, maar is wel beschouwd weinig meer dan een uitwerking van het thema, door den auteur van Homilieën bij herhaling (IV 18, 19, 25; V 25) behandeld. Zoo gaan de beide schrijvers elk een eigen vrijen gang en de inkleeding der stof loopt hemelsbreed uiteen, maar wat namen, feiten en gedachtengang betreft, haken beider voorstellingen telkens in elkaar.

De uitvoerige behandeling der astrologie, Ree. VIII 6; IX 16—26; X 10—12, vindt in Homilieën geen parallel, maar behalve dat de Wordingsleer der heidenen vermeld wordt (Hom. IV 12), vader

Sluiten