Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Phaustos er als vertegenwoordiger van die leer optreedt (Hom. XIV 3, 4, 11), en een debat daarover met Annoubion in het vooruitzicht gesteld wordt (Hom. XX 21), lezen wij er toch de mededeeling, dat door Petrus te Tripolis de vo/ju£ofiévt] yéveoig weerlegd wordt en betoogd, on afoofianofAÓ? /.lèv ovx ëariv (Hom. XI 34).

De syzygieën-leer der Homilieën (II 15—18, 23, 33; III 16, 23, 59) is karakteristiek en heeft als zoodanig in Recognitiones geen parallel, maar wat wij daarin lezen van „paria quaedam ad tentationem praesenti huic seculo statuta" (Ree. III 55, 59), die dan in overeenstemming met het aantal plagen van Egypte ten getale van „decem" worden opgeteld (Ree. III 61), is toch van dezelfde kracht.

Van beider daemonologie geldt hetzelfde. Satan, de bewerker van zonde en smart, bestaat met Gods wil (verg. Hom. XIX 12—15 met Ree. II 17, 18). Van de wijze, waarop de daemonen het menschelijk lichaam binnensluipen en er zich van bedienen, en evenzoo van de betrekkelijke vrijheid, die den mensch gelaten is tegenover deze vijanden van zijn geluk, weten de Homilieën heel wat te verhalen (VIII 12; IX 9—22; XX 2, 3). De Recognitiones desgelijks werken met voorliefde de stelling' uit: „Amant enim isti spiritus immundi inhaerere corporibus hominum, ut ipsorum ministerio cupiditates suas expleant" (II 72; IX 10), en deze andere: „Ita tarnen eos tradidit, ut non habeant potestatem in eos faciendi quod volunt, nisi statutum sibi ab initio terminum transeant" (VIII 50, 55). Dat de geesten gehoor te geven hebben aan die hen bezweren, wordt door beiden erkend (Hom. V 5; Ree. II 13).

Van twee elkaar vijandige koninkrijken, van God en van Satan, of van het tegenwoordige en de toekomst, is in Homilieën telkens sprake (III 19; XV 6 vgg. XX 2). Zoo lezen wij ook in Recognitiones, dat God „duo regna posuit, praesentis dico temporis et futuri" (I 24, verg. II 24), of dat er twee categorieën van menschen zijn, voor ieder van welke God „concessit locum et regem" (III 52; verg. V 9; VIII 52, 54, 55; IX 4).

In de Homilieën treedt mede de „Profeet der waarheid" in eigenaardige verhoudingen op. Op zijn vóórwetenschap berust zijn betrouwbaarheid. Hij is de oermensch, zoowel als de ideaalmensch en de heilige geest (Hom. II 4—11; III 11—21). De Recognitiones kennen ook de traditie van den waren Profeet, „qui solus scit quae facta sunt, ut facta sint, et quaefiunt, utfiant, quaeque erunt, ut erunt" (I 21; III 26) en wiens woorden „rerum ordinem servant" (VIII 60; X 51). Leeren de Homilieën, dat deze woorden oi/tü y.ai ajila zijn (III 12), de Recognitiones maken voorzichtiglijk onderscheid tusschen „quae manifeste dicta" en „quae non manifeste scripta sunt" (I 21), en als zij van dien Profeet verzekeren, dat hij „intra uniuscujusque nostrum mentem" woont en daar naar gelang van de individueele gesteldheid „otiatur" of operatur" (VIII 59), dan blijkt de auteur

Mei.jboom, l)c Clemem-Roman. II. 5

Sluiten