Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ae f) yrj, ten bewijze van Gods lankmoedigheid jegens hem (Hom. XVI 20). „Miror admodum immensam dei patientiam" roept Petrus uit Ree. II 16 en evenzoo Ree. X 66 Faustus in de rol van Simon: ,,Diu est quod me Simonem infelicissimum hominum patientia divina sustinet". Aan zulk een satanskind goede leering te verspillen, wordt Ree. II 4 zoowel als Hom. XIX 20 gewraakt.

Alle deze en zeker nog wel meer parallellen — wij denken b.v. aan de vermelding van Noach en Nimrod, Ree. I 29, 30; Hom. IX 3, 4; en die van Zacchaeus' episcopaat, Ree. III 66; Hom. III 67 vgg. — trekken onze aandacht bij de lectuur van het eerste belangrijke stuk, dat bijzonder eigendom van Recognitiones is, I 20—III 75. Doorloopen wij het tweede, VIII 3—X 51, dan ontvangen wij denzelfden indruk.

Ree. VIII 17, 19 ontwikkelt een Epicureeische atomenleer, waarin sprake is van het rijzen en dalen van elementen onder den invloed der temperatuur. Zoo verhaalt ook Hom. VI 6, 7 van een vjtoarut^fu], die haar weg vindt dg ra xduo, en een jivgwdtovaia, die eis ai'TÖv avénri) aéga. Ten getale van vier tellen beiden de elementen op, Hom. II 33;" III 33; VI 4; XIX 12; Ree. VIII 9. Water en geest als levensbronnen worden zoowel Ree. VIII 26 (verg. VI 8) als Hom. XI 24 gecombineerd. De wonderen der schepping vermelden Ree. VIII 22 en Hom. III 35. Als de zondvloed ter sprake komt, denken zoowel Ree. VIII 49, als Hom. II 16 aan Deucalion. Ree. VIII 51 heet ,,humano sanguine terra polluta" en worden „corrupta prius elementa" gezegd „hominibus corruptelae vitium, velut radices ramis ae fructibus" te hebben meegedeeld. Dit is ongeveer hetzelfde als wat Hom. VIII 17 geleeraard wordt aangaande de velerlei kwalen, die een ai/g uxnifdoto) avaftv/iiaoei [uaviïeig en een yfj êy. tovtcdv or/ódgu fiiaviïeïaa voor de menschheid te voorschijn brengt. De drievoudige samenstelling van den menseh leeren Hom. XX 2 en Ree. VIII 28. Als mogelijk gedachtenlezer wordt hij Hom. XVI 4 en Ree. VIII 7 een oogenblik ten tooneele gevoerd. De les van Matth. 7 : 12, ,,ut quod ipsi pati nolumus, ne hoe aliis inferamus", wordt Ree. VIII 56 met gelijke voorbeelden toegelicht als Hom. VII 4. Aan het ascetisch ideaal: vromelijk ,,aqua et pane uti", dat Ree. IX 6 ontworpen wordt, beantwoordt geheel de levenswijze, die Petrus Hom. XII 6 gezegd wordt te volgen en Hom. XV 7 aanbeveelt. Dezelfde ,,observatio coeundi", waarvan Ree. IX 9 heil verwacht, heet ook Hom. XIX 22 voorwaarde van welzijn, en wordt op beide plaatsen aangedrongen met hetzelfde voorbeeld, aan het natuurleven ontleend. Het doopwater bluscht het vüur der èmdvfün, Hom. XI 24, 26; evenzoo Ree. IX 7. Hoe de vrees een voorbehoedmiddel is tegen het kwade, leeren o.a. Ree. IX 14 en X 15, en desgelijks Hom. IV 12, 13; XVIII 9; gelijk de vrees, die uit bijgeloof voortspruit, in Ree. V 13 schier op dezelfde wijze als Hom. X 5 werd gewraakt. Van de maatschappelijke ongelijkheid is Hom. XIX 23 en Ree. IX 5—7 sprake.

Sluiten