Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met de wijsgeeren heeft noch de auteur van Hom. 13, 19; II 8 enz. noch die van Ree. VIII 61 bijzonder veel op. De eerste prijkt niet als de laatste met aan Bardesanes ontleende volkenkundige gegevens (Ree. IX 19 vgg.), maar dat b.v. Perzen en Britten bijzondere zeden hadden, ontging hem niet (Hom. XIX 19). Zoo vermenigvuldigen zich de parallellen. Ook waar elk der beide schrijvers zijn eigen weg bewandelt, spelen blijkbaar de zegswijzen en gedachtengangen des anderen hem door het hoofd. Allerwege gaat de zelfstandigheid met afhankelijkheid gepaard.

Overzien wij nu het geheel, dan vinden wij een climax, door de wijze, waarop wij de stof groepeerden, een afdalende reeks. Letterlijke parallelie, waarbij het aan zekere vrijpostigheden niet ontbreekt. Vrije reproductie, die soms overgaat in letterlijke copie. Behandeling van dezelfde stof op eigen en geheel nieuwe voois. Toespelingen op en stille verwijzingen naar bijzonderheden in daaraan geheel vreemd verband. Het is duidelijk, dat bij zulke verhoudingen onmogelijk de grens kan worden aangewezen, waar de litterarische afhankelijkheid begint of ophoudt. De Homilieën, zooals zij vóór ons liggen, kunnen niet het origineel geweest zijn van onze Recognitiones, want wij ontdekten blijken van posterioriteit. Maar een aan onze tegenwoordige Homilieën zeer nabij komend exemplaar in zijn geheel of in zijn samenstellende deelen kan zeer goed als origineel voor de vervaardiging der Recognitiones hebben diensten gedaan. Elke aanwijzing althans, dat eenig hoofdbestanddeel aan den auteur onbekend moet zijn geweest, ontbreekt. Veeleer schijnt die bekendheid een doorloopende, maar doorloopend ook de vrijmoedigheid, om naar welgevallen de hem geboden stof te verwerken of te verwaarloozen. In doorsnee althans is de voorstelling van het door Rufinus vertaalde boek de jongere en meer geaccommodeerd aan de behoeften van zijn publiek. Wij wagen de conclusie, dat de Homilieën in eenigerlei van de onze afwijkenden vorm de hoofdbron hebben uitgemaakt van het onderhavige werk.

Evenwel laat zich uit die ééne bron geheel de inhoud van dat werk niet verklaren. Een schrijver met de breedsprakigheid en het praatvermogen van onzen auteur kan het uit eigen middelen ver brengen in het dichten van gapingen en het vullen van bladzijden. Gansche stukken komen er voor in zijn boek, waarvoor men gaarne hem zeiven verantwoordelijk stelt. Toch is er nog zeker verschil van massiviteit in die stukken, dat te verklaren schijnt uit gebruik van andersoortig materiaal. Hij moet bij zijn arbeid uit meer schriftelijke bronnen hebben geput. Een rechtstreeksche aanwijzing te dezen opzichte hebben wij in een reeks capita in het negende boek. Als Clemens met zijn vader debatteert over de wordingsleer en het goed

Sluiten