Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

recht der astrologie ontkent, argumenteert hij uit de onevenredigheid tusschen de zeden der volken en de hemelsche invloeden, ten bewijze, dat de eersten van de laatsten niet afhankelijk zijn. Met die argumentatie vult hij een tiental hoofdstukken (Ree. IX 19—28), waarvan de inhoud niet alleen met eenige bladzijden van Eusebius' Praeparatio evangelica (VI 10, 6 vgg.) parallel loopt, maar sinds 1855 ook te vinden is in een dusgenaamden Dialoog van Bardesanes ,,de fato". Een syrische redactie daarvan gaf in gemeld jaar Cureton in het licht. Deze verschijning noopte Dr. A. Merx de resultaten der studie betreffende „Bardesanes von Edessa" te herzien 1) en daarbij ook een onderzoek in te stellen ,,über das Verhaltniss der Clementinischen Recognitionen zu dem Buche der Gesetze der Lander." Hij kwam tot de conclusie, dat belangrijke stukken daaruit in de Recognitiones waren geinterpoleerd. 2) Hilgenfeld zette onder den titel „Bardesanes der letzte Gnostiker" het onderzoek voort.3) Hij liet naast elkander afdrukken een vertaling van den Syrischen dialoog, de parallelle hoofdstukken van Eusebius, Ree. IX 19—29 en de Quaestiones 47 en 48 van Caesarius. Een nauwkeurige vergelijking van die ten naastenbij gelijkluidende stukken bracht hem tot de conclusie: ,,Wir bemerken hier in den Recognitionen die Verarbeitung einer altera, vielleicht nicht einmal christlichen Schrift, welche gegen die Astrologie gerichtet war." Niet onwaarschijnlijk, dat beide schrijvers te hoog opgeven van de oorspronkelijkheid der Recognitiones. Tot het uitschiften van interpolaties althans bestaat in dit geval geen reden. Misschien ook niet tot de onderstelling van een oudere polemiek tegen de astrologie, die met den Dialoog van pseudo-Bardesan es niet samenvalt. De eene of andere redactie daarvan kan volstaan. In elk geval mogen wij aannemen, dat onze auteur, toen hij de „Leges, in unaquaque regione vel regno ab hominibus positae, sive scriptura, sive etiam usu durantes" ging opsommen en beschrijven (Ree. IX 19 vgg.), bladzijden copiëerde, die hij in zijn hoofdbron niet gevonden had. En als dit eenmaal zekerheid voor ons geworden is, hebben wij alle vrijheid het voorbeeld van Dr. Merx te volgen en ook elders in zijn werk naar sporen van den invloed dier bladzijden om te zien. Gelijk de Homilieën deels letterlijk gecopiëerd, deels vrij gereproduceerd en ook overigens voor allerlei rechtstreeksche of zijdelingsche toespelingen te baat genomen werden, zoo kan ook de invloed van den Dialoog op verschillende plaatsen een verschillende zijn geweest. Zoo wijst Merx4) op de overeenkomst tusschen Simon's vraag: „Cum Deus fecerit universa, ut tu dicis, unde est malum?" Ree. III 15, en die van Awida in den Dialoog: „Wenn Gott ist, warum hat er die Menschen nicht so geschaffen, dass sie nicht sündigen können?" — op het gehaspel tusschen Simon en Petrus in dat verband over

ij 1803. 2) s. 99 f. na, 3, 1864. «) S. 89.

Sluiten