Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben de beide voorstellingen gemeen, dat zij Petrus een ganschen dag zonder eten en drinken in het openbaar laten oreeren of debatteeren, en liefst laten zij er nog een particulier onderhoud in den vroegen morgen aan voorafgaan of in den laten avond op volgen. Daarentegen zijn de tijdsbepalingen verschillend, wordt de stof op uiteenloopende wijze gedistribueerd en komen dienovereenkomstig tien boeken Recognitiones voor twintig Homilieën in de plaats. Ondersteld dat de auteur van de eersten een aan de ons bekende vrij nabijkomend exemplaar van de laatste tot zijn beschikking had, onder welke invloeden heeft hij dan zijn omwerking juist zoo tot stand gebracht als zij is uitgevallen ? Waarom laat hij, na de eerste Homilie gecopiëerd te hebben, Petrus' onderhoud met Clemens, Hom. II 1—34, rusten en als hij Simon's verzoek om uitstel vermeld heeft (Ree. I 20, verg. Hom. II 35) ook het verdere onderhoud (Hom. II 36—III 29a), om daarvoor een gansch ander onderricht, Ree. I 20— II 18, in de plaats te stellen? en dan als hij Simon's komst heeft aangekondigd (Ree. II 19'1, 20a, verg. Hom. III 29h, 33'1), evenzoo het dispunt van Petrus met den toovenaar, Hom. III 30b — 57, en dat van Clemens met Appion, Hom. IV 7—VI 25, met de daartusschen liggende verwisseling van Caesarea met Tyrus, Hom. III 58— IV 6, en de daarop volgende verplaatsingen naar Sidon, Berytos en Byblos, Hom. VI 26—VII 12, om dat alles te vervangen door een vierdaagsch debat tusschen Petrus en Simon van gansch anderen inhoud, besloten met de gemeenteregeling te Caesarea en de verhuizing van daar via Dora en Ptolemais naar Tripolis, Ree. II 20—IV 1? Bezwaar tegen de syzygieënleer, Hom. II 17—17, kan het motief, niet geweest zijn, daar hij zelf elders, III 57—61, in soortgelijke bespiegelingen zich verdiept. Eer dan nog afkeer van de leer aangaande daemonische bestanddeelen in de Schrift, Hom. II 38, daar hij zelf boven schifting aan schriftverklaring naar den regel der mozaische of christelijke traditie de voorkeur geeft, Ree. II 55; III 30, 75; X 42. Maar dit gebrek ware op eenvoudiger wijze te verhelpen geweest. Blijkbaar werkten tot de omwerking andere niet gemakkelijk te gissen oorzaken mee. Nog veel minder zijn de motieven te ontdekken, die Hom. VIII—XI deden metamorphoseeren in Ree. IV— VI. Het is of willekeur daarbij haar grillig spel speelde. Of de auteur van Recognitiones de namen van Dora en Ptolemais noemde, om eenigszins tusschen Caesarea en Tripolis de ruimte aan te vullen, die door het overspringen van het gebeurde te Tyrus, Sidon, Berytos en Byblos opengevallen was ? Als na het samengaan van Ree. VII; VIII 1, 2a met Hom. XII—XIV 3 de omwerker andermaal en schier tot het einde toe, zijn eigen gang gaat, zoekt men weer vruchteloos een verklaring. In Homiliën na de herkenning eerst eenig onderricht van den vader, XV 5—11, en dan onder zijn directie een dispuut van eenige dagen tusschen Petrus en Simon, XVI—XIX 25,

Sluiten