Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

figuranten gespeeld onder den invloed van den sleur zijner voorstellingswijze, of hebben wij hier gegevens voor de oplossing van het litterarisch probleem ?

Wij bepaalden ons tot de meest sprekende feiten. Indien wij alle feiten wilden ter sprake brengen, waarop geleerden in verband met zekere verklaringen van het ontstaan en de onderlinge verhouding der clementijnsche geschriften zich beroepen hebben ten bewijze van gemis aan oorspronkelijkheid bij de Homilieën, i) dan zouden wij de reeks aanmerkelijk moeten vermeerderen^) maar tevens vervallen in argumentaties van vrij subjectieven aard. Voorloopig zij het voldoende te constateeren, dat, welken indruk van eenheid en oorspronkelijkheid de Homilieën ook maken, die indruk toch niet zoo overweldigend is, dat tot het opsporen van nog oudere geschriften of redactiën, zoo noodig ter verklaring van oneffenheden, geen aanleiding overblijven zou.

In dit verband moeten wij ook vragen naar oorsprong en bestemming van de beide brieven en de diamartyria, die door de overlevering aan de Homilieën verbonden zijn.

De bedoeling dier stukken en hun betrekking tot het geheel zijn voorwerp geweest van opzettelijk onderzoek, dat tot velerlei uitkomst geleid heeft. Schliemann reeds maakt melding van geleerden, 1". die meenen, dat zij oorspronkelijk met de Homilieën niets te maken hebben, 20. die den brief van Clemens, en 30. die den brief van Petrus uit het verband poogden los te maken. Zelf kan hij zich met geen dezer allen vereenigen. Hij houdt aan de „Zusammengehörigkeit" van al de in Cotelier's handschrift voorkomende bestanddeelen vast. En wel op de volgende gronden. Wat den brief van Clemens betreft, daarin speelt Jacobus evengoed de rol van opperbisschop en Petrus die van heidenapostel, als in de Homilieën. De tegenstelling tusschen de tegenwoordige daemonische wereld en de toekomende „goede" onder het bestuur van een „goeden" koning Christus is er even scherp. De kerkinrichting, met bisschop, priesters en diakenen, is in beiden dezelfde, en op gelijke gronden wordt in den eenen zoowel als in de anderen aangedrongen op vroege huwelijken onder den invloed van het presbyterium. Meer punten van overeenkomst binnen zoo eng bestek te eischen is onredelijk. Daarenboven eindigt de brief met vermelding van den eigen titel, die boven de Homilieën te lezen staat. Wat de beide andere stukken betreft, de vereenzelviging van het Christendom met het echte Mosaisme, de polemiek tegen Paulus en de ondergeschiktheid van Petrus aan Jacobus, waardoor de Homi-

') Verg. Hilgenfeld S. 19 ff. 188 ff.; Ritschl >S. 158 ff. 188 ff.; Uhlhorn S. 34") ff. 363; Lehmann S. 320 ff. 411 ff.; Langen S. 30 ff. 57 ff. 89 ff. Men nierke nog op, hoe een pendant van „Hnne ergo nos pntabanins esse Sinioneni" (Ree. VII 33) in Hom. XIII 8, verg. I 0, op zijn plaats zon zijn.

Sluiten