Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lieën zich kenmerken, vindt men daarin terug. Matth. 5 : 18 leest men er met dezelfde afwijking van den kanonieken tekst. Van xijoryuaT", door Petrus aan Jacobus opgezonden, spreken ook zij. Deze argumenten reeds zouden afdoende zijn, maar daarenboven is een eigenaardige gedachtengang in de samenvoeging niet te miskennen. Het was den schrijver er om te doen, aan zijn Petrinische leeringen het meest mogelijke gezag bij te zetten. Daartoe stelde hij ze vooreerst op naam van Clemens, den metgezel van Petrus, en verdichtte hij verder een uitdrukkelijke opdracht van Petrus aan Clemens, om Jacobus schriftelijk op de hoogte te houden van wat hij op zijn zendingsreizen verkondigde, en een verzoek aan Jacobus om van wat hem werd toegezonden aan onbescheidenen geen inzage te gunnen. De Homilieën stelde hij daarbij voor als een uittreksel uit het door Clemens geschrevene, ,,voor extract conform", maar intusschen voor onbescheiden twijfelaars onmogelijk te vergelijken met het origineel. Deze verschillende fictiën vonden in de prolegomena een plaats en verbinden mitsdien deze onafscheidelijk aan het geheel.J)

Zoo stonden de zaken in het jaar 1844.

Toen vier jaren later Hilgenfeld zich in de quaestie mengde, begon zij ingewikkelder te worden. Hij achtte de door Schliemann onderstelde handelwijze van pseudo-Clemens een „raffinirtes Verfahren", te geslepen voor den oud-christelijken tijd. 2) In aansluiting van Photius en Dodwell leidde hij de beide brieven van verschillende auteurs af en rekende ze te behooren tot verschillende boeken. Verschil van inhoud pleitte z.i. daarvoor. De brief van Petrus en de Contestatio dringen aan op geheimhouding der xtjovy/inza, die zij inleiden, de brief van Clemens dringt veeleer aan op openbaarmaking. Eerstgenoemde stukken polemiseeren op naieve wijze tegen Paulus, zij hechten hooge waarde aan de besnijdenis, zij onderstellen een eenvoudige kerkinrichting; de schrijver van laatstgenoemd stuk is dit alles te boven. Bij beiden geldt het een ,,verschiedene Lebensfrage", zij spreken uit ,,ein verschiedenes Bewusstsein der Zeit".:>) Ook onderstelt de brief van Petrus een pseudo-petrinisch, die van Clemens een pseudo-clementinisch geschrift. ')

Nogmaals eenige jaren later, in 1854, sprak Uhlhorn naar aanleiding van Schliemann's pogen om de eenheid van Homilieën en prolegomena te handhaven van „raffinirte Schlauheit," van een al te ,,künstliches Gebaude", van een samenvoeging ,,zu künstlicli und zu verwirrt".5) Op Hilgenfeld heeft hij aan te merken, dat deze opereert met een ebionietisch y.ijgvyfia Ilhoov, dat blijkbaar nooit bestaan heeft, en daarenboven het verband tusschen dat ondersteld y.rjov/fia en den pseudo-petrinischen brief niet naar eisch te verklaren

1) Die Clementinen S. 08 ff. 80 ff. 2) Die C'lem. Ree. u. Hom. S. 45. s) S.

38 ff. 4) g, 20, 29 ff. "') Die Hom. u. Ree. 8. 81.

Sluiten