Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deutet", maar „bestimmt ausgesprochen" zou worden.') Onderstelde wat Schliemann giste te veel loos overleg, een ,,pia fraus" als de hier bedoelde lag niet buiten bereik van den oud-christelijken tijd. -) Wat Rufinus en Photius in hun manuscripten vonden, bleek mede geschikt 0111 aan de aanbeveling van Uhlhorn's hypothese te worden dienstbaar gemaakt.;l)

Evenmin als Uhlhorn kon met Schliemann en Hilgenfeld het vinden Lehmann, die in 1869 in het strijdperk verscheen. Hij ook spreekt, wat Schliemann aangaat, van „raffinirt" en „zu gekünstelt". „Der abgefeimteste und pfiffigste Betrüger", zegt hij, zou ter nauwernood dergelijke kunstgrepen weten uit te denken. ') Met Hilgenfeld als Dodwell den brief van Clemens aan de Epitome te verbinden, komt hem nog minder in den zin, om de eenvoudige reden, dat de hoofdinhoud van dien brief reeds een plaats vond in de Epitome. Daarentegen heeft Uhlhorn's stelling betreffende de epistola Petri zijn volle sympathie, zoozeer dat hij de bewijsvoering in al haar omvang, en vooral niet met minder woorden, herhaalt.") Van eigen vinding is daarin hoogstens, dat de twee beschrijvingen der bisschopswijding ook overeenkomen in de vergelijking van den bisschop met een geneesheer en van de kerk met een bruid,") en een meer ernstige poging om het bezwaar uit den weg te ruimen, dat in het zwijgen van Recognitiones over den dood van Petrus tegen de bruikbaarheid van den brief als proloog gelegen is.7) Resultaat blijft ook bij hem, dat de epistola Clementis ad Jacobum ,,dem Gesammtwerk unserer jetzigen Reeognitionem zugehört",*) behoudens het verder betoog, dat ,,die jetzigen Recognitionen" van zekere ouderen een omwerking zijn. — Minder goed komt Uhlhorn er bij Lehmann af, waar het den brief van Petrus aan Jacobus geldt. Nu wordt hem op zijn beurt voor de voeten geworpen, dat hij „Ranke" en „Kniffe" toedicht aan personen, die daarboven verheven zijn. De verklaring, die Uhlhorn geeft van den samenhang tusschen brief en Homilieën, aanvaardt hij niet.11) De brief moet dagteekenen uit een tijd, toen het Paulinisme „mit der Energie des frischen, eben begonnenen Streites" bestreden werd, 10) en kan dus niet van den schrijver der Homilieën afkomstig zijn, en de xrjQvy/iarn waarvan hij melding maakt — hierin zag Hilgenfeld juist — vormden geen denkbeeldig, maar een uit werkelijke pen gevloeid geschrift. Aan het betoog, dat dit geschrift den „Grundstock uitmaakt der gansche pseudo-clementijnsche litteratuur <^n al? zoodanig nog duidelijk in de Recognitiones, met name in de arie eerste boeken daarvan, weer te vinden is, wijdde zooals wij zagen11) Lehmann een goed deel der verdere bladzijden van zijn boek.

l) S. 109. 2) S. 105. 8) S. 106 ff. Verg. zijn artikel uver de Clementijnen in Herzog, Realencvkl. 1898 IV S. 176 f. 4) Die Clem. Sehr. S. 25. S. 27—48. 6) S. 41. 7) S. 46. 8) S. 48. 9) S. 54 ff. 10) S. 53. u) boven bl. 45 vg.

Sluiten