Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zooveel zinnen is het veelal. Zoo ook hier. Iedere volgende onderzoeker vond een nieuwe combinatie uit. Gelijk Hort het uitdrukt: „almost every imaginable theory lias been maintained by someone".') Het valt niet te ontkennen, dat de omstandigheden in het onderhavig geval aan het opstellen van velerlei hypothesen gunstig zijn. Toen Schliemann schreef, kende hij nog slechts de uitgaven van Cotelerius en Clericus naar het Parijsche handschrift, dat zelf verklaart te bevatten jiooióyovg rgeïg, 6fuXiag eïxooi, aan welk laatste cijfer trouwens de werkelijkheid niet geheel beantwoordde. Dat door deze samenvoeging zekere praesumptie gewekt kon worden ten gunste van de „Zusammengehörigkeit" van brieven en Homilieën, valt niet te ontkennen. Zij werd versterkt door Dressel's uitgave van het Vaticaansche manuscript, dat van denzelfden omvang was. De overeenstemming van de Parisiensis en de Ottobonianus in de opname der brieven doet vermoeden, dat geen toeval de prolegomena aan de Homilieën bond, gelijk soms in Handschriften het ongelijksoortige wordt bijeengevoegd, maar een schrijver, 't zij dan auteur of verzamelaar, er iets bij gedacht heeft, toen hij epistola Petri, epistola Clementis en Homilieën op elkaar liet volgen. Evenwel blijkt die samenvoeging geen stereotype te zijn geweest. Photius verzekert vele Handschriften gezien te hebben, verhalende de handelingen van Petrus en zijn disputen met Simon magus en de herkenning van Clemens en zijn verwanten, die allen begonnen met èyw Kh)fu]i, maar van ongelijke inleidingen voorzien waren. Sommigen openden met een brief van Petrus aan Jacobus, anderen met een van Clemens. Daarenboven kende hij nog geschriften onder den titel Kh']fievros rov'Pmfiaiov dvayvmoiauóg, zonder begeleidenden brief.-) Men heeft gevraagd of het werk, hier eerst bedoeld, met de Homilieën dan wel met de Recognitiones samenviel, met beiden of met geen van beiden. Die vraag moge op verschillende wijzen beantwoord kunnen worden, in elk geval is het merkwaardig, dat in aan Photius bekende Handschriften gescheiden voorkwam, wat wij vereenigd vonden. En Rufinus, aan wien wij het te danken hebben, dat de Recognitiones althans nog in latijnschen vorm voor ons bewaard gebleven zijn, verontschuldigt zich in zijn opdracht aan Gaudentius, dat hij niet mede vertaalde den brief, ,,in qua idem Clemens ad Jacobum fratrem domini scribens de obitu nunciat Petri et quod se reliquerit successorem cathedrae et doctrinae suae, in qua etiam de omni ordine ecclesiastico continetur", en dat wel ,,quia tempore posterior est et olim a me interpretata et edita". Daarbij maakt hij, zooals gezegd,3) melding van twee uitgaven der avayvdtaei?, die elkaar wat den inhoud betreft niet geheel dekten en waarvan met name de eene de transformatie van Simon magus verhaalde, en de andere

]) p. 91. -) 1'hotins c. 112, 113, ed. Bekker p. DO. 3) boven bl. 40.

Sluiten