Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brengen ,,de" — wat Rufinus noemt — ,,omni ordine ecclesiastico", het geschrevene dienstbaar te maken aan zeker episcopaal systeem. Wat dit laatste betreft had reeds het slot der derde Homilie den weg gebaand. Toen de auteur zijn inleidenden brief schreef zal hij het daar aangegeven thema hebben uitgewerkt. Tal van punten van overeenkomst dientengevolge. Dezelfde rolverdeeling onder het kerkelijk personeel. 1) Dezelfde speling tusschen de bestuurders en hun onderhoorigen heen en weer, die het vermoeden van interpolatie kon wekken. -) Hetzelfde zonderling geknoopt verband tusschen de kuischheid en de menschenliefde. 3) Men volge nauwkeurig den gedachtengang en zijn sprongen in de beide parallellen en lette op de punten van overeenkomst, in onze vertaling blijkens de noten zorgvuldig bijeengezocht, en men zal erkennen dat de brief van Clemens aan Jacobus op het stramien van Zacchaeus' bisschopswijding in Hom. III 60—72 geborduurd kan zijn. En ook die van Petrus aan Jacobus is met eigenaardige banden aan de Homilieën verbonden. Als de gelofte is afgelegd, knielen allen met Jacobus neer. IJQoarjv^ajus&a. De ouderlingen en het hoofd der kerk. Maar ook Clemens, de onderstelde schrijver der Homilieën, schijnt in dien eersten persoon van dat meervoud mee begrepen. De schrijver valt uit zijn rol. En als hij reeds een eventueelen anderen God tot getuige roept, en' eotiv fat'' ovx ?oT(v,i) dan schijnt hij wel bij voorbaat de Marcionietische leeringen, in de Homilieën ten tooneele gevoerd, onschadelijk te maken. Ingeval eenzelfde auteur de Homilieën en de prolegomena schreef, dan zal hij ze in omgekeerde volgorde hebben opgesteld. Eerst het hoofdwerk, daarna den brief van Clemens, en eindelijk als kroon van het gebouw dien van Petrus. Tegen litterarische fictiën zoo apert, symbolische inkleedingen zoo doorzichtig, zou onze tijd ter nauwernood bezwaren hebben, laat staan dan de oud-christelijke, laat staan dan een auteur, die zijn apostelen met vrijmoedigheid spionnen laten uitzenden om hun bestrijders te verschalken en hen deze laat overtroeven met list op list.

En wat de overdaad betreft, die de geleerden in de verzoeking bracht om aan een enkel werk ook slechts een enkel inleidend stuk te verbinden, Antonius Diogenes, wiens werk over vjisq f)ot'h]v anima wordt aangemerkt als de eerste grieksche roman en als het model voor alle volgenden, was niet minder kwistig. Men sla er Photius over na,"') of leze wat Erwin Rohde er van zegt.'i) ,,Ein hinzugefügter Brief des Antonius Diogenes an seinen Freund Faustinus redete von der Sorgfalt, mit welcher jener, aus alteren Erzahlern, seinen Stoff gesammelt habe. Ein Brief aber an Isidora, die

1) Verg. Hom. III 07; Ep. €1. 7 vgg. 2) Verg. Hom. III 06, 0'J vgg. Ep. Cl.

5, 8 vgg. 17. 3) Verg. Hom. III 68. 4) Diam. 4. 5) e. 160, ed- Iiekker p. 111.

>') Der griechische Roman iind seine Vorliiufer, 1876, S. 271.

Sluiten