Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minder spitsvondige onderscheiding van dogmatisch coloriet. Een enkelvoudige „vorgeblich petrinische Schrift" vormt bij Ritschl den litterarischen achtergrond der Clementijnen, een y.i'jovy/m Ilhgov, dat wegens zijn anti-Basilidiaansche strekking niet, als Hilgenfeld leerde, in de eerste eeuw, maar na 120 ontstond, en ook niet te Rome het licht aanschouwde, maar „auf den palastinensischen Kreis der Kirche zurückzuführen ist".1) Hoofdmotief tot die onderstelling is ook nu de realistische verklaring van Ree. III 75.2) Als hulpmotief doet daarenboven een onderscheiding van bestanddeelen in de beschrijving van Simon Magus' karakter (Ree. I 24—74; II 5—15) dienst.3) En ook aan „aussere Bezeugung" behoeft het weer niet te ontbreken. In de Constitutiones apostolicae toch verklaart Petrus (VI 8), dat hij te Caesarea in debat was met Simon, ten aanhoore van Zacchaeus, Barnabas, Nicetas en Aquilas. De Clementijnen vermelden in dat verband daarenboven Clemens: ,,Wenn also jene Notiz aus einer Schrift herrührt, in welcher Clemens nicht auftrat, so kann dies nur die Grundschrift, das xrjgvyjua Uérgov, gewesen sein".')

„Der ich beistimmen muss", schrijft dan weer Dr. Lehmann, als hij Hilgenfeld's „Annahme" heeft gememoreerd."») Zijn optreden was voor de hypothese van groot belang. Want of hij al Hilgenfeld beknibbelde, door b.v. de „Grundschrift" ruimer op te vatten, als tegen Antinomisten, niet bepaald tegen Paulinisten gericht;(i) door er het gebruik van schriftelijke evangeliën in mogelijk te achten en dus vermoedelijk er een jongeren oorsprong aan toetekennen;") vooral door al wat na de eerste drie boeken van Recognitiones volgt als van Homilieën afhankelijk te verklaren, s) en zelfs in die eerste drie sporen van posterieure bewerking te ontdekken,1») zijn betoog, dat een Ree. III 75 nader omschreven werk als uitgangspunt van de Clementijnsche litteratuur moet worden aangemerkt,10) was zoo welsprekend mogelijk. Het in acht nemen van zekeren „ordo" in de debatten (Ree. I 21, 23, 25, 74; III 32, 34) en het deftige „tractatus" ter aanduiding van een behandelde stof (Ree. III 52) werden met nadruk uit den invloed van schriftelijk materiaal verklaard, u) De overeenkomst tusschen het aantal Ree. III 75 ten tooneele gevoerde boeken en dat der met den inhoud daarvan gevulde dagen van dispuut werd in het oog gevat.1-) Het pseudo-petrinisch karakter van de „Grundschrift" werd aangewezen.1;i) De auteur heet een ebioniet en wel een partijhoofd, „denn sonst hatte er sich doch wohl nicht erlaubt, seine Schrift als Geheimschrift, die also doch die Quintessenz der Lehren seiner Partei enthalten musste, auszugeben". 14) Een testimonium

1) S. 175, 187. *) S. 163 ff. S) s. 158 ff. *) S. 181 f., verg. HiUj. Kec. u.

Hom. S. 102 f. 5) S. 58. «) 8. 72, 74. ') S. 74. ») S. 104 ff. ») S. 4(53.

S. 57 ff. *') S. 58 ff. verg. Hilg. Ree. u. Hom. S. 47 ff. 12) S. 77 f. 1®) S.

95 ff. 403. S. 101.

Sluiten