Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daardoor de algemeene kennis van zaken verhoogd hebben, zonder dat een enkele de geheimenissen ten volle ontsluierde, zoo hebben ook al de vindingrijke mannen, die Hilgenfelds voetspoor drukten, tot recht verstand der Clementijnen iets bijgedragen, maar het mysterie hunner wording onthullen deed niet één. Misschien verdient het dus aanbeveling den weg der abstracte mogelijkheden te verlaten en de dingen te nemen zooals zij zijn.

Na een zorgvuldige tekstvergelijking hebben wij de conclusie gewaagd, dat de Homilieën in eenigerlei van den onzen afwijkenden vorm de hoofdbron hebben uitgemaakt van de Recognitiones. i) Desgelijks hebben wij gegist, dat het exemplaar van de tweede Epitome, waarnaar de eerste bewerkt werd, van de ons bekende op sommige punten afweek. -) Noch de eene, noch de andere onderstelling is roekeloos. \ olkomen overeenstemming in Handschriften zou allicht meer bevreemding wekken, dan onderling verschil. Van de groote menigte, die er van de veelgelezen geschriften bestaan moet hebben, kwamen er slechts eenige weinigen tot ons. Hoe zouden wij het wagen uit te maken, wat er al dan niet in de verlorenen kan hebben gestaan? Maar deze ruimte van beweging, die de onzekerheid ons geeft, rechtvaardigt niet de bandeloosheid der fantasie bij het ontwerpen van verwante werken. Zonder duidelijke aanwijzing door testimonia externa of dwingende conclusies uit de gegevens der werkelijkheid onthoude men zich van willekeurige scheppingen. Tal van tusschcnsehakels laat zich denken tusschen Homilieën, Recognitiones en Epitome's, maar dat geeft nog niet het recht ze te hulp te roepen zonder noodzakelijkheid. Zoo lang mogelijk behelpe men zich met de gegevens, die men heeft.

Intusschen zijn wij dan toch, van de jongste phase van het litterarisch proces opklimmende tot het oudste, gestuit op problemen, die in die gegevens heur oplossing niet vonden. Laat het al waar zijn, dat Epitome's, Recognitiones en Homilieën in geregelde orde op elkaar terug wijzen, in de laatsten vonden wij toch oneffenheden, die weer verder wezen. Hoe geneigd ook om voor de meeste bijzonderheden de verklaring te zoeken bij zekere slordigheid van den auteur, in enkele gevallen liet dit redmiddel ons in den steek. Het opduiken van Zacchaeus in Hom. XVII 1, na zijn verdwijnen in Hom. III, of minstens de verwijzing in Hom. XII 4 naar een woord, dat niet in des schrijvers verbeelding alleen bestond, maar blijkens Ree. III 72 ergens moet hebben geschreven gestaan, werd ons te machtig. Ook de scheiding tusschen de bekeering van Clemens (Hom. I 21) en zijn doop (XI 35) door een intermezzo van eenige Homilieën lang, in de Epitome's grootendeels ontbrekende daarenboven, zou de verzoeking om conjecturen te maken doen ontwaken.:!) Maar daarmee

1) Boven bl. «U. *) Boven bl. 34 vg. 3, Boven bl. 49, 81 vgg.

Sluiten